Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO0015

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-10-2010
Datum publicatie
12-10-2010
Zaaknummer
08-6716 WAO-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring verzoek om toepassing van artikel 8:81Awb, aangezien het griffierecht door de erfgenamen niet binnen de gestelde ternijn is voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6716 WAO-VV

Centrale Raad van Beroep

U I T S P R A A K

van

DE VOORZIENINGENRECHTER VAN DE CENTRALE RAAD VAN BEROEP

inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet in geding tussen:

de erven van [naam betrokkene] (hierna: betrokkene), die laatstelijk gewoond heeft te Suriname, (hierna: verzoekers)

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 8 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Betrokkene heeft bij brief van 17 november 2008 hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 september 2008, 07/602.

Bij brief van 19 november 2008 heeft betrokkene de Raad verzocht om toepassing van het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Op 21 april 2009 heeft het Uwv de Raad bericht dat betrokkene is overleden.

Bij brief van 14 augustus 2009 heeft het Uwv de Raad een brief van de familie [naam betrokkene] van 2 februari 2009 doen toekomen waarbij werd meegedeeld dat betrokkene op 2 januari 2009 is overleden.

II. OVERWEGINGEN

Ingevolge het bepaalde in artikel 18 en artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep bij de Raad is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

In het eerste lid van artikel 23 van de Beroepswet is bepaald dat door de griffier een griffierecht wordt geheven. Artikel 22, vierde lid, van de Beroepswet is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de termijn binnen welke de bijschrijving of storting van het verschuldigde bedrag dient plaats te vinden twee weken bedraagt.

Bij schrijven van 4 december 2008 is betrokkene erop gewezen dat hij ter zake van het ingediende verzoek een griffierecht van € 107,-, is verschuldigd, welk bedrag binnen twee weken na dagtekening van die brief diende te zijn voldaan, bij voorkeur door middel van de aangehechte acceptgirokaart.

Bij aangetekende brief van 19 december 2008 is betrokkene nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is meegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen twee weken na dagtekening diende te zijn bijgeschreven op de rekening van de Centrale Raad van Beroep dan wel per kas diende te zijn gestort. Daarbij is erop gewezen dat overschrijding van die termijn leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek om voorlopige voorziening.

Naar aanleiding van een verzoek om uitstel namens betrokkene van 18 december 20008 voor voldoening van het griffierecht heeft de Raad de termijn van betalen opgeschort.

Na kennisneming van het overlijden van betrokkene heeft de Raad bij brieven van 2 oktober 2009 verzoekers bericht dat er een hoger beroep van betrokkene aanhangig is en dat de Raad niet eerder inhoudelijk op het geschil kan beslissen voordat het verschuldigde griffierecht van € 107,- is betaald. Voorts heeft de Raad verzoekers separaat verzocht binnen vier weken aan te geven of zij als erfgenaam het geding wensen voort te zetten.

De Raad heeft bij schrijven van 11 juni 2010 verzoekers bericht dat niet alle erfgenamen, ook niet na herhaalde verzoeken, op voornoemde oproep hebben gereageerd, dat het derhalve niet mogelijk is over te gaan tot beëindiging van de procedure en dat de behandeling wordt voortgezet. Tevens is er nogmaals op gewezen dat een griffierecht van € 107,- is verschuldigd en is verzoekers een termijn van vier weken gesteld waarbinnen het griffierecht dient te zijn voldaan. Daarbij is erop gewezen dat wanneer het griffierecht niet binnen de termijn voldaan is, het hoger beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Ook binnen die termijn is het griffierecht niet voldaan.

Bovenstaande leidt ertoe dat het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen kennelijk niet-ontvankelijk moet worden verklaard onder toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep,

Verklaart het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2010.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) M. Mostert.

KR