Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO0010

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-10-2010
Datum publicatie
12-10-2010
Zaaknummer
09-3478 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% is. In de FML zijn voldoende beperkingen opgenomen en de geduide functies worden geschikt geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3478 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 18 mei 2009, 08/1618 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 8 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.L. Wittensleger, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Wittensleger. Het Uwv was vertegenwoordigd door M. Florijn.

Ter zitting is het onderzoek geschorst. Het Uwv heeft aangegeven te bekijken of een heropening van de WAO-uitkering aan de orde is en nogmaals aandacht te besteden aan de incontinentieklachten.

Bij schrijven van 19 oktober 2009 heeft het Uwv een rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 15 oktober 2009 en een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 16 oktober 2009 overgelegd. Zijdens appellante is op

30 november 2009 op dit rapport gereageerd. Op 22 december 2009 heeft het Uwv nog een rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 18 december 2009 ingezonden. Appellante heeft op 10 augustus 2010 nog nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 27 augustus 2010. Appellante en haar gemachtigde zijn weer verschenen. Het Uwv was wederom vertegenwoordigd door Florijn.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante heeft zich op 17 november 2005 vanuit een werkloosheidssituatie ziek gemeld.

1.2. Bij besluit van 20 november 2007 heeft het Uwv besloten dat voor appellante per 15 november 2007 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet WIA omdat haar mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% is.

1.3. Bij besluit van 25 april 2008 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het standpunt van appellante dat haar beperkingen te licht zijn ingeschat onvoldoende steun vindt in de zich in het dossier bevindende medische gegevens. Naar het oordeel van de rechtbank is bij het opstellen van de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) voldoende rekening gehouden met de psychische beperkingen. De aan de geduide functies verbonden belasting overschrijdt de belastbaarheid van appellante niet.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft. Er zou bij haar sprake zijn van bovenmatig ziekteverzuim. De rechtbank heeft de psychische en lichamelijke klachten onvoldoende op waarde geschat. De geduide functies kan zij niet uitoefenen. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft zij informatie over het syndroom van Klippel-Trenaunay alsmede brieven van SEIN, van de reumatoloog, de internist/nefroloog, de vaatchirurg, de psychiater en de huisarts overgelegd. Zij stelt ten slotte dat sprake is geweest van toegenomen arbeidsongeschiktheid die voortkomt uit dezelfde ziekteoorzaak.

4.1. Met betrekking tot de heropening van de WAO-uitkering overweegt de Raad als volgt.

4.2. Appellante heeft tot 22 november 2004 WAO-uitkering ontvangen in verband met fibromyalgie, het syndroom van Klippel-Trenaunay, COPD en incontinentie. In verband daarmee zijn vele beperkingen aangenomen, ook beperkingen in het persoonlijk functioneren. Uit de rapporten van de verzekeringsarts van 17 oktober 2007, van de psychiater drs. J. Groenendijk van 13 maart 2008 en van de bezwaarverzekeringsarts van 21 april 2008 komt naar voren dat appellante al klachten heeft van genoemde ziektebeelden vanaf ongeveer haar twaalfde levensjaar. Uit die rapporten noch uit de informatie van de behandelende artsen van appellante blijkt dat de daaruit voortvloeiende beperkingen sinds de intrekking van de WAO-uitkering zijn toegenomen. De Raad acht de door de bezwaarverzekeringsarts in het rapport van 15 oktober 2009 ter zake gegeven motivering overtuigend. Het Uwv heeft dus terecht besloten de WAO-uitkering niet te heropenen.

5.1. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd met betrekking tot de afwijzing van haar WIA-aanvraag bevat, in vergelijking met haar stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. De informatie over het syndroom van Klippel-Trenaunay bevat enkel algemene gegevens over deze ziekte en is niet toegespitst op de situatie van appellante. Naar het oordeel van de Raad is door de (bezwaar)verzekeringsartsen voldoende aandacht besteed aan deze ziekte, in (vrijwel) elk medisch rapport wordt de diagnose genoemd en in de FML zijn beperkingen als gevolg van dit syndroom aangenomen. Ditzelfde geldt voor de incontinentieproblemen. De Raad sluit zich aan bij de door de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 18 december 2009 en de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapport van 16 oktober 2009 gegeven motivering. De Raad wijst er voorts op dat het Uwv appellante in 2005 heeft laten onderzoeken door een revalidatiearts en tijdens de onderhavige procedure door psychiater Groenendijk. Met de bevindingen van deze artsen is door het Uwv rekening gehouden. De door appellante in hoger beroep overgelegde medische informatie heeft geen betrekking op de in geding zijnde datum, 15 november 2007.

5.2. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellante in staat moet worden geacht de haar voorgehouden functies te verrichten. Haar stelling dat zij de functie huishoudelijk medewerker niet kan uitoefenen omdat zij zelf hulp in de huishouding heeft slaagt niet, enerzijds omdat de beoordeling voor het toekennen van huishoudelijke hulp een andere is dan de onderhavige, anderzijds omdat het in deze functie niet gaat om huishoudelijk werk in een woning maar werk in de beddencentrale van een ziekenhuis.

6.1. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt.

6.2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2010.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) A.L. de Gier.

TM