Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN9992

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-10-2010
Datum publicatie
11-10-2010
Zaaknummer
09-5825 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schuldig nalatig stellen van appellant over 2002. De Raad stelt vast dat uit de door de Belastingdienst en appellant verstrekte gegevens blijkt dat de aanslag over 2002 ambtshalve is vastgesteld en dat appellant de verschuldigde inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen niet heeft betaald. Appellant is over dat jaar schuldig nalatig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5825 AOW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 8 september 2009, 09/104 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 8 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2010. Appellant is daarbij in persoon verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door F. Aalders.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De belastingdienst heeft de Svb, kennelijk met het verzoek te onderzoeken of appellant schuldig nalatig kan worden verklaard, medegedeeld dat appellant nog aan inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen met bijkomende kosten verschuldigd is over 2002 € 47.511,- en dat appellant nalatig is dit bedrag te betalen.

1.2. Bij beslissing op bezwaar van 18 december 2008 heeft de Svb zijn besluit van

19 september 2008 gehandhaafd, waarbij aan appellant is medegedeeld dat hij, op grond van artikel 18 van de Wet financiering volksverzekeringen (Wfv), schuldig nalatig is de over het jaar 2002 verschuldigde premie krachtens de AOW te betalen. Daarbij is overwogen dat nu over voornoemd jaar een ambtshalve aanslag is opgelegd door de belastingdienst, op grond van artikel 18, derde lid, van de Wfv niet afgezien kan worden van het schuldig nalatig stellen.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard, overwegende dat de Svb terecht niet heeft afgezien van het schuldig nalatig stellen van appellant over 2002, nu aan appellant over dat jaar een ambtshalve aanslag is opgelegd.

3. Appellant heeft in hoger beroep wederom aangevoerd dat hij in financiële moeilijkheden is geraakt, waardoor hij niet tijdig aangifte heeft kunnen doen over 2002 en hij geen jaarstukken heeft kunnen (laten) maken. Deze omstandigheden hebben geleid tot de ambtshalve over 2002.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Artikel 18 van Wfv luidde ten tijde hier van belang als volgt:

“1. Indien een premieplichtige nalatig is gebleven over een bepaald jaar de op aanslag verschuldigde premie voor de volksverzekeringen te betalen, houdt de Sociale Verzekeringsbank daarvan aantekening indien zij beslist dat van een schuldig nalaten sprake is.

2. Een premieplichtige is schuldig nalatig indien hij nalaat de door hem op aanslag verschuldigde premie voor de volksverzekeringen te betalen. Voor zover de premieplichtige kan aantonen dat er omstandigheden aanwezig zijn op grond waarvan het niet betalen van de premie hem niet toegerekend kan worden, wordt afgezien van het schuldig nalatig stellen van de premieplichtige.

3. In afwijking van het tweede lid, wordt van schuldig nalatig stellen niet afgezien indien:

a. de aanslag voor de premie voor de volksverzekeringen ambtshalve is vastgesteld omdat de premieplichtige geen of onvoldoende medewerking heeft verleend bij het vaststellen van het premie-inkomen;”.

4.2. De Raad stelt vast dat uit de door de Belastingdienst en appellant verstrekte gegevens blijkt dat de aanslag over 2002 ambtshalve is vastgesteld en dat appellant de verschuldigde inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen niet heeft betaald. Zoals de Raad al eerder heeft overwogen, onder meer in zijn uitspraak van 10 december 2004 (LJN AR7737), betekent dit dat reeds uit artikel 18, derde lid, onder a, van de Wfv volgt dat appellant over dat jaar schuldig nalatig is. Hetgeen door appellant in hoger beroep is aangevoerd kan hieraan niet afdoen.

4.3. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2010.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) T.J. van der Torn.

NK