Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN9976

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-10-2010
Datum publicatie
11-10-2010
Zaaknummer
09-6645 AKW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar. Naar het oordeel van de rechtbank is de brief van 4 augustus 2008 niet op rechtsgevolg gericht, maar heeft de Svb appellant hiermee slechts in kennis gesteld van zijn voornemen om kinderbijslag terug te vorderen en een boete op te leggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6645 AKW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], Marokko (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 november 2009, 08/4968

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 8 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 augustus 2010. Appellant is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.T.S.J. Maarschalkerweerd.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij een tweetal besluiten van 4 augustus 2008 heeft de Svb aan appellant bericht dat hij met ingang van het vierde kwartaal van 1994 geen recht heeft op kinderbijslag ten behoeve van zijn zoon [naam zoon] en met ingang van het vierde kwartaal van 2002 geen recht heeft op kinderbijslag ten behoeve van zijn dochter [naam dochter].

1.2. Bij brief van 4 augustus 2008 heeft de Svb aangekondigd een bedrag van € 22.914,56 te zullen terugvorderen wegens ten onrechte ontvangen kinderbijslag en een boete te zullen opleggen van € 3.403,50 aangezien appellant niet aan de verplichting heeft voldaan volledige en correcte gegevens te verstrekken. In de brief wordt appellant de mogelijkheid geboden te reageren alvorens aan hem een definitieve beslissing over terugvordering en boete zal worden toegezonden.

1.3. Namens appellant is bij brief van 3 september 2008 bezwaar gemaakt tegen herziening van het recht op kinderbijslag ten behoeve van [naam zoon] en [naam dochter]. In de brief is tevens bezwaar gemaakt tegen terugvordering van kinderbijslag en tegen het opleggen van een boete en is voorts om uitstel voor het indienen van gronden verzocht. Als bijlage bij dit bezwaarschrift is de onder 1.2 genoemde brief ingezonden.

1.4. Bij brief van 17 september 2008 heeft de Svb appellant tot 30 oktober 2008 de mogelijkheid geboden de gronden in verband met zijn bezwaar tegen de besluiten van 4 augustus 2008 in te dienen. Hierop heeft de toenmalige gemachtigde van appellant in een brief van 31 oktober 2008 aangegeven geen instructies van appellant te hebben ontvangen en niet inhoudelijk te kunnen reageren.

1.5. Bij besluit van 5 november 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard aangezien geen gronden van bezwaar zijn ingediend.

2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat slechts tegen een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de mogelijkheid tot bezwaar open staat. Naar het oordeel van de rechtbank is de brief van 4 augustus 2008 niet op rechtsgevolg gericht, maar heeft de Svb appellant hiermee slechts in kennis gesteld van zijn voornemen om kinderbijslag terug te vorderen en een boete op te leggen. Gelet hierop heeft de Svb naar het oordeel van de rechtbank het bezwaar van appellant, weliswaar op onjuiste gronden, terecht niet-ontvankelijk verklaard. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat, voor zover het bezwaar moet worden beschouwd als te zijn gericht tegen een besluit van 4 augustus 2008, de Svb het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het ontbreken van gronden. De rechtbank stelt vast dat ook na het geven van een herstelmogelijkheid geen gronden zijn ingediend. Vervolgens heeft de rechtbank overwogen dat in beroep geen gronden hieromtrent zijn aangevoerd en het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant aangegeven zich niet met de uitspraak van de rechtbank te kunnen verenigen nu de Svb geen nieuw onderzoek heeft verricht.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad onderschrijft het oordeel en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen zoals die door de rechtbank in de aangevallen uitspraak zijn opgenomen. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd bevat geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht.

4.2. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling tot vergoeding van de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2010.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M.A. van Amerongen.

CVG