Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN9960

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-10-2010
Datum publicatie
11-10-2010
Zaaknummer
10-1153 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. De Raad kan hetgeen de rechtbank omtrent de medische grondslag van het bestreden besluit heeft overwogen onderschrijven. Geen bijzondere omstandigheden. Voor zover appellante heeft willen betogen dat ten aanzien van haar meer of andere beperkingen zouden moeten gelden dan door de deskundige is aangenomen, vindt dit geen althans onvoldoende basis in de voorhanden medische gegevens. De stelling dat het aan een onderzoek door een verzekeringsarts in opleiding klevend gebrek alleen direct in de op dit onderzoek volgende bezwaarprocedure zou kunnen worden hersteld vindt geen steun in de rechtspraak van de Raad. In de arbeidskundige rapporten is de geschiktheid voor appellante van de voor haar geselecteerde functies voldoende toegelicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1153 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 15 januari 2010, 08/30 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft drs. C. Atema, werkzaam bij de stichting Bok, een hoger beroepschrift met bijlagen ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingezonden, vergezeld van rapporten van L.J. Zwemer, bezwaarverzekeringsarts en M.E. van der Molen, bezwaararbeidsdeskundige.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2010. Appellante en voormelde gemachtigde waren aanwezig. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door J.T. Wielinga.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding relevante feiten en omstandigheden en het procesverloop voorafgaande aan de onder 1.4 te noemen uitspraak van de Raad zij verwezen naar de aangevallen uitspraak. Hier volstaat de Raad met het volgende. Appellante, voorheen werkzaam als caissière, heeft zich in juni 2000 ziek gemeld met rug-, spier- en handklachten. Per 25 juni 2001 is haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 23 juni 2004 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante ingetrokken met ingang van 18 augustus 2004 omdat de mate van arbeidsongeschiktheid moest worden gesteld op minder dan 15%. Namens appellante is daartegen bezwaar gemaakt, dat door het Uwv ongegrond is verklaard bij besluit van 19 oktober 2004.

1.2. Namens appellante is tegen laatstgenoemd besluit beroep ingesteld. De rechtbank Leeuwarden heeft bij uitspraak van 12 oktober 2005, 04/1377, de medische en arbeidskundige grondslag van het besluit van 19 oktober 2004 onderschreven, maar tevens vastgesteld dat een adequate arbeidskundige toelichting op de geschiktheid voor appellante van de geduide functies in de fase van het beroep, is verstrekt. De rechtbank heeft bijgevolg het besluit van 19 oktober 2004 vernietigd maar de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten.

1.3. Appellante had zich inmiddels, tijdens het ontvangen van uitkering ingevolge de Werkloosheidswet, per 11 februari 2005 ziek gemeld in verband met toegenomen rugklachten, waarna zij een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) heeft ontvangen. Bij besluit van 16 maart 2005 heeft het Uwv haar met ingang van dezelfde datum arbeidsgeschikt verklaard. Bij besluit van 22 april 2005 heeft het Uwv het bezwaar tegen dit besluit ongegrond verklaard. Het daartegen namens appellante ingestelde beroep is door de rechtbank Leeuwarden bij uitspraak van 7 maart 2006, 05/857 gegrond verklaard onder meer omdat onvoldoende was gemotiveerd waarom aan het besluit van

22 april 2005 ten grondslag gelegde functies geschikt waren voor appellante. Het Uwv heeft in deze uitspraak berust en bij besluit van 12 mei 2006 het bezwaar van appellante tegen het besluit van 16 maart 2005 wederom ongegrond verklaard; zulks na een door de bezwaararbeidskundige Van der Molen voornoemd in haar rapport van 29 maart 2006 gegeven toelichting, waarin uiteen wordt gezet dat appellante ondanks haar hand- en vingerproblemen in staat kan worden geacht de eerder geduide functies van telefonist/ receptionist en die van surveillant te verrichten.

1.4. De Raad heeft in zijn uitspraak van 12 september 2007, LJN BB3750, de uitspraak van de rechtbank van 12 oktober 2005 vernietigd voor zover de rechtbank daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit (van 19 oktober 2004) in stand heeft gelaten. Daartoe heeft de Raad overwogen dat aan het besluit van 19 oktober 2004 een primaire beoordeling door de arts J.G. Hensen ten grondslag lag, terwijl deze arts ten tijde van die beoordeling nog geen geregistreerd verzekeringsarts was, welk gebrek nadien niet in bezwaar is hersteld. Bij dezelfde uitspraak is het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank van 7 maart 2006 niet-ontvankelijk verklaard omdat het Uwv het in dat beroep voorliggende besluit niet langer heeft gehandhaafd, terwijl het hoger beroep tevens mede gericht is geacht tegen het nadere besluit van 12 mei 2006. Ook laatstgenoemd besluit is vervolgens vernietigd omdat volgens de Raad, na de vernietiging op de eerder weergegeven grond van het besluit inzake de intrekking van de WAO-uitkering van appellante, niet langer vaststond dat de als maatstaf voor de arbeidsgeschiktheid van appellante gehanteerde functies – die deels dezelfde waren als die welke ten grondsslag lagen aan de eerder vermelde intrekking van de WAO-uitkering van appellante – als voor appellante geschikt zijn aan te merken. Tevens is het Uwv opgedragen om nieuwe besluiten op bezwaar te nemen en zijn beslissingen gegeven omtrent het betalen van griffierecht en het vergoeden van proceskosten.

2. Het Uwv heeft ter uitvoering van deze uitspraak appellante doen onderzoeken door M.C. Wijnen, bezwaarverzekeringsarts die in zijn rapport van 26 november 2007, na onderzoek van appellante, gemotiveerd heeft aangegeven waarom het primaire medisch oordeel onderschreven kan worden. Op grond van dit rapport en de eerder uitgebrachte rapporten van 18 oktober 2004, 7 december 2004 en, voor wat betreft de beoordeling in het kader van de ZW, het rapport van 29 maart 2006 van M.E. van der Molen, bezwaararbeidsdeskundige, heeft het Uwv bij besluit van 30 november 2007

(hierna: het bestreden besluit) het bezwaar tegen de intrekking van de WAO- uitkering per 18 augustus 2004 en de weigering van ziekengeld per 16 maart 2005 alsnog ongegrond verklaard.

3. Namens appellante is beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. Het Uwv is veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding aan appellante en er zijn beslissingen gegeven over het betalen van griffierecht en het vergoeden van proceskosten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat zij aanleiding heeft gezien om J.C. den Heijer, neuroloog, te verzoeken om van verslag en advies te dienen. Deze deskundige is in zijn rapport van 13 juli 2009 tot de conclusie gekomen, dat de door hem gevonden beperkingen van de belastbaarheid naar aard en mate (vrijwel) overeenkomen met die welke door de primaire verzekeringsarts waren aangenomen; wel zou ook het in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) voorkomende aspect frequent reiken tijdens het werk als beperkt moeten worden aangemerkt. De rechtbank heeft het oordeel van de door haar ingeschakelde deskundige gevolgd. Omdat het item frequent reiken tijdens het werk in de FML niet als beperkt is aangegeven, heeft de rechtbank de medische grondslag van het bestreden besluit ondeugdelijk geacht. Echter nu blijkens de functie-omschrijvingen in geen van de geselecteerde functies meer dan 60 cm gereikt behoeft te worden, heeft de door de deskundige aangegeven extra beperking geen gevolgen voor de geschiktheid voor appellante van de geduide functies; en bestaat daarom, volgens de rechtbank, aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Om nagenoeg dezelfde redenen als hiervoor weegegeven heeft de rechtbank het bestreden besluit ook ten aanzien van het beëindigen van de ZW-uitkering vernietigd maar de rechtsgevolgen ervan in stand gelaten. Daarbij heeft de rechtbank opgemerkt dat zowel Wijnen, voornoemd, als de deskundige er aandacht aan hebben besteed dat hun onderzoek uit 2007 respectievelijk 2009 dateert en het de gezondheidstoestand van appellante in 2004 dan wel 2005 betreft.

4. In hoger beroep is namens appellante onder meer gesteld dat geen juiste uitvoering is gegeven aan de uitspraak van de Raad van 12 september 2007: aan de oorspronkelijke besluiten kleeft een gebrek, dat in de desbetreffende bezwaarprocedure niet is hersteld en nadien niet meer hersteld kon worden. Ook heeft de rechtbank ten onrechte de door haar ingeschakelde deskundige gevolgd gelet op de brief van L.J. Engström, neuroloog, van

4 september 2008, die daarin aangeeft dat het niet goed mogelijk is om via onderzoek uit 2008 uitspraken te doen over de situatie in 2004. Omtrent de (te optimistisch) ingeschatte gezondheidstoestand van appellante is verwezen naar eerder in het geding gebrachte medische gegevens.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. De Raad kan hetgeen de rechtbank omtrent de medische grondslag van het bestreden besluit heeft overwogen onderschrijven. Volgens vaste rechtspraak dient het oordeel van een onafhankelijke door de rechter ingeschakelde deskundige in beginsel te worden gevolgd. Van bijzondere omstandigheden waarom zulks in dit geval niet zou moeten gelden is de Raad niet gebleken. De hiervoor genoemde brief van Engström kan niet als zodanig gelden, waarbij de Raad opmerkt dat de deskundige er acht op heeft geslagen dat zijn onderzoek de medische situatie van appellante van enige jaren daarvoor betreft. Voor zover appellante heeft willen betogen dat ten aanzien van haar meer of andere beperkingen zouden moeten gelden dan door de deskundige is aangenomen, vindt dit geen althans onvoldoende basis in de voorhanden medische gegevens. De stelling dat het aan een onderzoek door een verzekeringsarts in opleiding klevend gebrek alleen direct in de op dit onderzoek volgende bezwaarprocedure zou kunnen worden hersteld vindt geen steun in de rechtspraak van de Raad.

5.3. Wat betreft het arbeidskundige aspect van de schatting merkt de Raad op dat in de voorhanden arbeidskundige rapporten de geschiktheid voor appellante van de voor haar geselecteerde functies voldoende is toegelicht. Ook is op correcte wijze toepassing geven aan het voor appellante geldende Schattingsbesluit zoals dat voor 1 oktober 2004 gold.

5.4. Wat betreft de beoordeling per 16 maart 2005 komt de Raad tot geen ander oordeel. Met betrekking tot het medische aspect heeft de rechtbank ook op dit punt met recht de door haar ingeschakelde deskundige gevolgd. De arbeidsdeskundige Van der Molen heeft in het rapport van 29 maart 2006 voldoende gemotiveerd dat de als voorbeeld genoemde functies geen te hoge eisen stellen aan het gebruik van of het kracht zetten met de handen en/of vingers.

5.5. Namens appellante is in hoger beroep nog verzocht om een “aanvullend bedrag smartengeld”. Daartoe bestaat gelet op de rechtspraak van de Raad met betrekking tot artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, naast de reeds door de rechtbank terzake van de lange duur van de procedure toegekende vergoeding, geen basis, te meer nu hiertoe in feite niets naders is gesteld (zie onder meer CRvB 31 juli 2007, LJN BB3560).

5.6. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. Voor een veroordeling van een der partijen in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J. Riphagen en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M. Mostert.

TM