Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN9953

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-10-2010
Datum publicatie
11-10-2010
Zaaknummer
10-650 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/650 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 januari 2010, 09/1934 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 8 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.M. Voogt, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 8 juli 2010 heeft het Uwv vragen van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2010. Namens appellant is mr. Voogt verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is op 2 november 1989 uitgevallen voor zijn werk als scheepskok, met verschillende klachten. Aan hem is een uitkering in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. In het kader van een herbeoordeling is appellant op 18 augustus 2008 onderzocht door verzekeringsarts R. van Diessen. Tijdens dit onderzoek heeft appellant informatie ingebracht van onderzoeken door het Beth Israel Deaconess Medical Center in Dorchester (VS) en gegevens van een laboratorium in Boston (VS), omtrent, tijdens zijn verblijf in de VS, ondervonden hartproblemen. De verzekeringsarts is tot de conclusie gekomen dat appellant benutbare mogelijkheden heeft en heeft een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld. Na arbeidskundig onderzoek door arbeidsdeskundige K. van Keulen heeft het Uwv, bij besluit van 12 november 2008, aan appellant medegedeeld dat zijn uitkering per 13 januari 2009 wordt herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

1.3. Bij besluit op bezwaar van 20 mei 2009 heeft het Uwv het bezwaar gegrond verklaard in die zin dat de mate van arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld op 35 tot 45%.

2. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien het medisch en arbeidskundig onderzoek voor onjuist te houden en heeft het beroep ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep is, zoals ter zitting door de gemachtigde is aangegeven, nog in geding dat appellant niet voldoet aan de functie- en opleidingseis “Niveau VMBO”, dat de beperking op het item “hoofdbewegingen maken” onduidelijk is, waardoor toetsing van de geduide functies niet mogelijk is en dat de functies op het item “frequent reiken” onvoldoende zijn gemotiveerd, mede omdat het principieel onjuist is dat een hogere frequentie gecompenseerd kan worden door een lagere reikafstand.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad kan de gemachtigde van appellant niet volgen in diens stelling dat, als bij een functie als opleidingeis staat vermeld “Niveau VMBO”, dit betekent dat betrokkene dan een vrijwel voltooide VMBO-opleiding moet hebben genoten. De Raad onderschrijft de uitleg van het Uwv - kort gezegd - dat het een eis is van de werkgever aan het kennis- en denkniveau van een potentiële medewerker en dat iemand met een basisschoolopleiding, aangevuld met een relevante vervolgopleiding, aan dit niveau voldoet. In de situatie van appellant heeft hij, na de basisschool, een koksopleiding gevolgd, alsmede zijn rijbewijs gehaald. Naar het oordeel van de Raad voldoet appellant hiermee aan de opleidingseis Niveau VMBO, mede gelet op de aard van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies waarin die opleidingseis wordt gesteld.

4.2. Met betrekking tot het item Hoofdbewegingen maken wordt appellant beperkt geacht in de FML. Voor welke specifieke hoofdbeweging appellant beperkt wordt geacht blijkt niet uit de FML. Bezwaararbeidsdeskundige P.J. Schaap heeft in een rapport van 24 november 2009 een nadere verklaring gegeven op dit item en hierin nader uiteengezet wanneer een nadere motivering gegeven dient te worden, dan wel een functie ongeschikt wordt geacht. De Raad ziet geen redenen te twijfelen aan deze verklaring en aan de hieruit volgende geschiktheid van de geduide functies op dit aspect.

4.3. Ten slotte bestrijdt appellant de geschiktheid van de geduide functies op het item frequent reiken tijdens het werk. In de FML is aangegeven dat appellant in staat is ongeveer 600 keer per uur te reiken, waarbij de reikafstand niet beperkt is. In het systeem van het CBBS betekent dit dat appellant in staat wordt geacht de maximale afstand voor mannen, zijnde ongeveer 70 cm, te reiken. In de geduide functies is sprake van een hogere frequentie aan reiken per uur, maar bij een lagere afstand. Uit de rechtspraak van de Raad volgt dat in beginsel een hogere frequentie gecompenseerd kan worden door een kortere afstand. In de omstandigheden van dit geding ziet de Raad geen aanleiding tot een ander standpunt te komen. In voldoende functies is de reikafstand beduidend korter dan de maximale afstand, zodat een hogere frequentie aanvaardbaar is.

4.4. In de uitspraak van 8 augustus 2006, LJN AY6390, heeft de Raad geoordeeld dat in beginsel van de juistheid van de aan het CBBS ontleende gegevens dient te worden uitgegaan. In onderhavig geding wordt namens appellant bestreden dat de reikfrequentie in een aantal functies juist in het CBBS is opgenomen. De Raad ziet echter, mede gelet op de nadere motivering van het Uwv in de rapporten van 8 juli 2009 en 6 juli 2010 door bezwaararbeidsdeskundige P. de Zeeuw, geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de gegevens op dit punt in het CBBS.

4.5. Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.4 volgt dat de Raad de aangevallen uitspraak zal bevestigen.

5. Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2010.

(get.) T.L. de Vries

(get.) T.J. van der Torn

RH