Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN9761

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-10-2010
Datum publicatie
08-10-2010
Zaaknummer
08-4304 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4304 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 5 juni 2008, 07/1596 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hardenberg (hierna: College)

Datum uitspraak: 5 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.J.H. Jonkeren, werkzaam bij Juridisch Adviesbureau en zakelijke dienstverlening De Vries BV, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend en nadien nadere stukken, waaronder processen-verbaal, aan de Raad gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in het geding met procedurenummer 08/3802 tussen [T.] en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Meppel, plaatsgevonden op 24 augustus 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Jonkeren. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door C.J. Grendel, werkzaam bij de gemeente Hardenberg. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante en [T.] zijn gehuwd. Zij woonden tot 14 oktober 2005 samen op het adres [adres 1] te [naam gemeente] en ontvingen tot die datum een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolgde de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Appellante heeft het College gemeld dat [T.] haar heeft verlaten. Over de periode van 17 oktober 2005 tot 11 september 2006 ontving [T.] een WWB-uitkering van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Meppel naar de norm voor een alleenstaande. In die gemeente stond [T.] ingeschreven op het adres [adres 2]. Appellante is met de uit haar huwelijk met [T.] geboren kinderen blijven wonen in [naam gemeente]. Zij ontving met ingang van 14 oktober 2005 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2. Naar aanleiding van een tip dat [T.] elke dag bij appellante verblijft, heeft de Unit Regionale Sociale recherche Zwolle e.o. een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante en aan [T.] verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek verricht, zijn inlichtingen ingewonnen bij instanties, zijn appellante en [T.] verhoord, zijn waarnemingen verricht nabij de woningen van appellante en [T.] en zijn getuigen gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 23 april 2007 en in diverse processen-verbaal.

1.3. Bij besluit van 29 mei 2007 heeft het College op basis van de resultaten van het onderzoek de bijstand van appellante over de periode van 11 september 2006 tot en met 31 maart 2007 herzien (lees: ingetrokken) en de over die periode gemaakte kosten van bijstand van appellante teruggevorderd tot een bedrag van € 8.091,13.

1.4. Bij besluit van 16 augustus 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 29 mei 2007 ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellante in de hiervoor genoemde periode een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [T.].

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen omtrent het griffierecht en de proceskosten, het beroep tegen het besluit van 16 augustus 2007 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover het betrekking heeft op de intrekking van de bijstand, en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit in stand blijven. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de intrekking op een onjuiste grondslag berust, aangezien partijen ten tijde in geding met elkaar waren gehuwd en het College derhalve had moeten beoordelen of in de situatie van appellante en [T.] sprake was van duurzaam gescheiden levende echtgenoten. De beslissing van de rechtbank tot instandlating van de rechtsgevolgen berust op haar oordeel dat appellante en [T.] in de in geding zijnde periode niet duurzaam van elkaar gescheiden leefden.

3. Appellante heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij het besluit van 16 augustus 2007 niet is vernietigd en voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het wel vernietigde gedeelte van dat besluit in stand zijn gelaten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat, nu appellante en [T.] in de periode van 11 september 2006 tot en met 31 maart 2007 met elkaar gehuwd waren, diende te worden beoordeeld of appellante desondanks als ongehuwde in de zin van de WWB moest worden aangemerkt. Ingevolge artikel 3, tweede lid, onder b, van de WWB moet als ongehuwd worden aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij is gehuwd. Volgens vaste rechtspraak is sprake van duurzaam gescheiden levende echtgenoten indien het een door beide betrokkenen, of een van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving betreft waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt

als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door tenminste één van hen als bestendig is bedoeld.

4.2. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat in de situatie van appellante in de hier van belang zijnde periode niet kan worden gesproken van duurzaam gescheiden levende echtgenoten in voormelde zin.

4.2.1. De Raad neemt in de eerste plaats in aanmerking hetgeen appellante en [T.] hebben verklaard. [T.] heeft verklaard dat in december 2005 problemen voor zijn gezin in [naam gemeente] zijn ontstaan, dat hij naar de politie is gegaan maar dat de politie niets voor hem en zijn gezin kon doen. Hij heeft vervolgens zelf zijn gezin willen beschermen. Als gevolg daarvan was hij, zoals hij verder heeft verklaard, veel meer in [naam gemeente] dan in Meppel en verbleef hij in de regel bij zijn gezin. Appellante heeft verklaard dat [T.] vanaf oud en nieuw 2005/2006 in verband met de problemen dagelijks bij haar en de kinderen was en dat hij vanaf de vernieling van een ruit in juni 2006 ook (vaak) bij hen bleef slapen.

4.2.2. Appellante heeft aangevoerd dat zij en [T.] niet dan wel niet ten volle aan de schriftelijke weergave van hun verklaringen kunnen worden gehouden, onder meer niet omdat deze naar haar mening niet op geheel juiste wijze door de tolk zijn vertaald en omdat haar verklaring onder grote druk tot stand is gekomen. De Raad stelt aan de hand van de overgelegde processen-verbaal vast dat de verklaringen door twee sociaal-rechercheurs op ambtsbelofte zijn opgemaakt, dat deze door de tolk zijn mede-ondertekend, dat appellante - die in de ochtend en in de middag van 13 april 2007 is verhoord - de in de middag afgelegde verklaring heeft ondertekend, dat [T.] heeft volhard in de aan hem voorgelezen verklaring en dat [T.] bij zijn weigering om deze te ondertekenen geen gewag heeft gemaakt van problemen met de vertaling. Gelet op het voorgaande ziet de Raad in hetgeen is aangevoerd onvoldoende aanleiding om in dit geval af te wijken van zijn vaste rechtspraak dat van de juistheid van de door de opsporingsambtenaren op ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal mag worden uitgegaan. Daarbij neemt de Raad mede in aanmerking dat de verklaringen van appellante en [T.] in essentie met elkaar overeenstemmen. De Raad ziet voorts geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de verklaring van appellante niet in vrijheid of onder onaanvaardbare druk is afgelegd.

4.2.3. Bij het voorgaande betrekt de Raad dat de verklaringen van appellante en [T.] sporen met de overige onderzoeksbevindingen. De Raad wijst op de getuigenverklaringen van drie omwonenden nabij het woonadres van appellante die alle inhouden dat ten tijde hier van belang op het adres van appellante een gezin - bestaande uit man, vrouw en kinderen - woonde. Verder blijkt uit het onderzoek van de sociale recherche dat [T.] bij verschillende instanties - waaronder de Belastingdienst, de Kamer van Koophandel - en bij de Beverwijkse Bazaar (waar [T.] een kraam huurde) als zijn adres [adres 1] te [naam gemeente] is blijven gebruiken.

4.3. Uit het voorgaande volgt dat appellante in de hier van belang zijnde periode niet als ongehuwd in de zin van artikel 3, tweede lid, onder b, van de WWB kon worden aangemerkt. De Raad is dan ook met de rechtbank van oordeel dat appellante gedurende die periode geen recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder.

4.4. Appellante heeft aan het College geen juiste inlichtingen verstrekt over haar gezinssituatie. Daarmee heeft zij derhalve haar wettelijke inlichtingenverplichting geschonden.

4.5. Het College was dan ook op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de bijstand van appellante over de periode van 11 september 2006 tot en met 31 maart 2007 in te trekken. Tegen de wijze van gebruikmaking van deze bevoegdheid zijn geen zelfstandige beroepsgronden gericht, zodat de uitoefening van deze bevoegdheid verder buiten bespreking kan blijven.

4.6. Met hetgeen onder 4.4 en 4.5 is overwogen is tevens gegeven dat het College bevoegd was de over de hiervoor genoemde periode ten behoeve van appellante gemaakte kosten van bijstand van haar terug te vorderen met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB. Appellante heeft tegen de wijze van gebruikmaking van deze bevoegdheid evenmin zelfstandige beroepsgronden gericht, zodat de uitoefening van deze bevoegdheid verder buiten bespreking kan blijven.

4.7. De Raad komt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover deze is aangevochten, dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2010.

(get.) C. van Viegen.

(get.) N.M. van Gorkum.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip duurzaam gescheiden leven.

SB