Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN9715

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-10-2010
Datum publicatie
07-10-2010
Zaaknummer
09-6942 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gelet op het verschil van mening tussen de betrokken verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts is er naar het oordeel van de Raad, mede in aanmerking genomen dat aan de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts geen medisch onderzoek door deze arts ten grondslag heeft gelegen, aanleiding voor twijfel over het oorzakelijk verband als bedoeld, welke twijfel ten voordele van appellant dient te strekken. Op grond hiervan is de Raad van oordeel dat het bepaalde in artikel 37, tweede lid, van de WAO zich niet verzet tegen een herziening van de uitkering, met inachtneming van een wachttijd van 52 weken gerekend vanaf 1 april 2003. Vernietiging uitspraak. Vernietiging besluit.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 37
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6942 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 25 november 2009, 07/8734 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Menschaert, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Menschaert. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M. de Bluts.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, die wegens klachten van een carpaal tunnel syndroom beiderzijds en knieklachten op 19 april 1989 ongeschikt is geworden voor zijn werk als timmerman, is met ingang van 18 april 1990 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Nadien was tevens sprake van nekklachten als gevolg van een ongeval in augustus 1990, waarbij appellant na een duik in een ondiep zwembad een fractuur aan een nekwervel opliep. Na tussentijdse herzieningen is de arbeidsongeschiktheidsuitkering, die per 4 juli 1996 in verband met toegenomen knieklachten weer was vastgesteld naar 80 tot 100% arbeidsongeschiktheid, met ingang van 3 juni 1997 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Na herbeoordelingen is deze arbeidsongeschiktheidsklasse per 1 september 1999 en

1 september 2004 ongewijzigd gehandhaafd.

1.2. Bij brief van 28 maart 2006 heeft appellant het Uwv verzocht om een herkeuring, omdat hij zich toegenomen arbeidsongeschikt achtte. Naar aanleiding van dit verzoek heeft het Uwv op 21 augustus 2006 een besluit genomen, waarbij is geweigerd de WAO-uitkering te herzien. Dit besluit heeft het Uwv bij beslissing op bezwaar van 25 oktober 2006 herroepen, omdat het onderzoek volgens het Uwv niet met de vereiste zorgvuldigheid had plaatsgevonden. Vervolgens is op 4 december 2006 een nieuw verzekeringsgeneeskundig rapport uitgebracht. Daarin wordt geconcludeerd dat sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid, in overwegende mate als gevolg van dezelfde oorzaak als de oorspronkelijke, en dat gelet op de datum van de melding de aanvang hiervan kan worden gesteld op 1 maart 2006.

2. Bij besluit van 21 maart 2007 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat de WAO-uitkering niet na een wachttijd van vier weken wordt herzien, omdat de toeneming van de arbeidsongeschiktheid niet is gelegen binnen vijf jaar na de datum van herziening in 1997.

3. Appellant heeft tegen het besluit van 21 maart 2007 bezwaar gemaakt. Naar aanleiding hiervan heeft bezwaarverzekeringsarts M. Keus op 4 oktober 2007 een rapport uitgebracht, waarin mede op grond van een brief van de behandelend orthopedisch chirurg van appellant van 9 mei 2003 is aangenomen dat reeds per 1 april 2003 bij appellant als gevolg van een HNP op niveau L5-S1 sprake is van toegenomen beperkingen, die echter volgens deze bezwaarverzekeringsarts voortvloeien uit een andere oorzaak dan die ten grondslag ligt aan de toegekende WAO-uitkering.

4. Bij besluit van 25 oktober 2007 (het bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 21 maart 2007 onder verwijzing naar de artikelen 37 en 39a van de WAO ongegrond verklaard.

5. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

6. De Raad overweegt het volgende.

6.1. Tussen partijen is niet in geschil dat per 1 april 2003 bij appellant sprake is van toeneming van de arbeidsongeschiktheid. Nu de arbeidsongeschiktheidsuitkering voordien meer dan vijf jaar geleden, namelijk per 3 juni 1997, is herzien - de herbeoordelingen in 1999 en 2004 hebben niet tot een herziening geleid - kan appellant aan het bepaalde in artikel 39a van de WAO geen aanspraak op herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering ontlenen.

6.2. Artikel 37, eerste en tweede lid, van de WAO luidde, voor zover hier van belang, op de in dit geding van belang zijnde datum 1 april 2003 als volgt:

“1. Terzake van toeneming van arbeidsongeschiktheid vindt herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, (…), plaats zodra de toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken 52 weken heeft geduurd.

2. De in het eerste lid bedoelde herziening vindt niet plaats, indien (…) de toeneming kennelijk is voortgekomen uit een andere oorzaak dan die waaruit de ongeschiktheid ter zake waarvan de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ontvangen, is voortgekomen.”.

6.3. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad (zie onder meer de uitspraak van 23 april 2009, LJN BI3430) is bij de toepassing van artikel 37 van de WAO van belang dat de formulering van dit artikel ertoe strekt in geval van twijfel over het oorzakelijk verband tussen de oorspronkelijke arbeidsongeschiktheid en de later toegenomen arbeidsongeschiktheid, de balans ten voordele van de betrokkene te doen doorslaan.

6.4. De Raad stelt vast dat voornoemde bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 4 oktober 2007 uitvoerig heeft uiteengezet dat de in 2003 vastgestelde hernia op een volstrekt ander niveau ligt dan de in 1990 gebroken nekwervel en dat een causale relatie volgens hem hier evident niet aanwezig is. Dit standpunt wijkt af van de mening van de verzekeringsarts, die appellant op 21 november 2006 op het spreekuur heeft gezien. Gelet op haar onderzoeksbevindingen heeft deze verzekeringsarts aangenomen dat appellant in verband met de klachten als gevolg van de nekfractuur rugklachten heeft gekregen, sinds die tijd de rug niet gelijk is gaan belasten en daardoor een HNP heeft gekregen.

Gelet op dit verschil van mening tussen de betrokken verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts is er naar het oordeel van de Raad, mede in aanmerking genomen dat aan de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts geen medisch onderzoek door deze arts ten grondslag heeft gelegen, aanleiding voor twijfel over het oorzakelijk verband als vorenbedoeld, welke twijfel ten voordele van appellant dient te strekken. Op grond hiervan is de Raad van oordeel dat het bepaalde in artikel 37, tweede lid, van de WAO zich niet verzet tegen een herziening van de uitkering, met inachtneming van een wachttijd van 52 weken gerekend vanaf 1 april 2003.

6.5. Uit hetgeen is overwogen onder 6.1 tot en met 6.4 volgt dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit, dat daarbij in stand is gelaten, moeten worden vernietigd.

7. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.311,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 874,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 2.185,-

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 2.185,-, te betalen door het Uwv aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht van € 149,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J. Riphagen en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M. Mostert.

KR