Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN9402

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-10-2010
Datum publicatie
05-10-2010
Zaaknummer
09-1838 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing bijzondere bijstand voor de kosten van een verhuizing. De noodzaak van de verhuizing is niet aangetoond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1838 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 26 februari 2009, 08/659 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven (hierna: College).

Datum uitspraak: 5 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.J.M. van Asten, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Asten. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.L.J. Martens, werkzaam bij de gemeente Eindhoven.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Appellant, geboren [in] 1952, ontvangt vanaf 2 augustus 2006 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Appellant is vanaf 18 december 2006 woonachtig op het adres [adres 1] te [woonplaats], waar hij een kamer huurt.

1.3. Op 19 maart 2007 heeft appellant een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand in de kosten van een verhuizing naar het adres [adres 2] te [woonplaats]. De aanvraag betreft onder meer de kosten van de eerste maand huur, van de te betalen borg en de kosten van het particuliere bemiddelingsbureau de Huisvester. Met ingang van 1 april 2007 bewoont appellant een zelfstandig gemeubileerd tweekamer appartement op voornoemd adres tegen een maandelijkse huur van € 675,--.

1.4. Bij besluit van 10 april 2007 heeft het College dit verzoek om bijzondere bijstand afgewezen.

1.5. Bij besluit van 15 januari 2008 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 10 april 2007 ongegrond verklaard op de grond dat er geen noodzaak aanwezig was voor een verhuizing.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 15 januari 2008 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij getoetst aan het in de uitspraak van de Raad van 20 mei 2008, LJN BD2756, gegeven beoordelingskader voor bijzondere bijstand. De rechtbank heeft bij haar oordeel dat geen sprake is van noodzakelijke kosten onder meer in aanmerking genomen dat het op de weg van appellant had gelegen nog enige tijd in de woning aan de [adres 1] te blijven wonen teneinde in die periode voor de kosten van een verhuizing te reserveren. De rechtbank overweegt daarbij voorts dat appellant ook in zijn huisvesting had kunnen voorzien door te verhuizen naar een andere kamer of een goedkopere woning, hetgeen gepaard was gegaan met aanzienlijk lagere kosten en daarmee een kortere reserveringsperiode.

2.2. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd en aangevoerd dat het van meet af aan duidelijk was dat de kamerhuur aan de [adres 1] voor hem slechts een tijdelijke oplossing was, totdat hij zelfstandige woonruimte zou hebben gevonden. Na 30 jaar zelfstandige woonruimte aan de [adres 3] te [woonplaats] te hebben gehuurd, is deze woning in december 2006 buiten zijn schuld ontruimd en diende hij per aansluitend met spoed huisvesting te vinden. De kamer, met gedeelde voorzieningen, aan de [adres 1] was niet alleen tijdelijk, maar voor hem ook in medisch en sociaal opzicht ongeschikt. Appellant heeft daarbij voorts de stelling betrokken dat hij is aangewezen op particuliere verhuurbemiddeling, omdat de ontruiming tot gevolg heeft dat de woningbouwverenigingen hem de eerste 5 jaar geen zelfstandige woonruimte meer zullen aanbieden.

3.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.2. In artikel 35, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, van de WWB niet van toepassing zijn.

3.3. Zoals door de rechtbank reeds aangehaald heeft de Raad in zijn uitspraak van 20 mei 2008, LJN BD2756, geoordeeld dat bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de WWB eerst beoordeeld dient te worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de alleenstaande of het gezin noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, op welk punt het college ingevolge genoemde bepaling een zekere beoordelingsvrijheid heeft. Volgens vaste rechtspraak van de Raad worden de kosten van een verhuizing, indien deze noodzakelijk is, tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan gerekend. Deze kosten dienen in beginsel te worden bestreden uit het inkomen, hetzij door middel van reservering vooraf, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Afzonderlijke bijstandsverlening is niet mogelijk, tenzij de kosten noodzakelijk zijn als gevolg van bijzondere omstandigheden in het individuele geval, die ertoe leiden dat de kosten niet uit de algemene bijstand en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan.

3.4. De Raad is met de rechtbank en het College van oordeel dat de noodzaak van de verhuizing van appellant in de gegeven omstandigheden niet is komen vast te staan. Het College heeft ter zitting van de Raad nader uiteengezet zich primair op het standpunt te stellen dat niet is gebleken dat een verhuizing vanuit de [adres 1] noodzakelijk was. De door appellant overgelegde huurovereenkomst betreffende de kamer aan de [adres 1] gaat uit van huur voor onbepaalde tijd en het standpunt dat de verhuizing om medische en sociale redenen noodzakelijk was, is door appellant niet onderbouwd met objectieve en controleerbare - medische - gegevens. Subsidiar stelt het College zich op het standpunt dat het in ieder geval niet is gebleken dat het noodzakelijk was zodanig snel te vertrekken vanuit de [adres 1] dat kosten voor dubbele huur moesten worden gemaakt en dat ook de noodzaak van de kosten van de inschakeling van de particuliere woningbemiddelaar niet is komen vast te staan. De Raad stelt vast dat appellant een kamer huurde voor onbepaalde tijd met medegebruik van alle voorzieningen in de woning. Van een medische of sociale noodzaak tot verhuizing is de Raad niet gebleken. Ten overvloede schaart de Raad zich overigens achter het subsidiare standpunt van het College en het onder 3.3 opgenomen oordeel van de rechtbank.

4. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en J.J.A. Kooijman en H.C.P. Venema als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2010.

(get.) H.J. de Mooij.

(get.) J.M. Tason Avila.

HD