Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN8835

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-09-2010
Datum publicatie
04-10-2010
Zaaknummer
10-3350 WWB + 10-3501 WWB + 10-3771 WWB-VV + 10-3658 WWB-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Adresloos; verplichting aangifte te doen van briefadres; beleidsvrijheid College; aanwijzing adres dak- en thuislozen niet in strijd met redelijke beleidsbepaling.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 40
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2010/291
JWWB 2010/225
USZ 2010/335
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3350 WWB

10/3501 WWB

10/3771 WWB-VV

10/3658 WWB-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op de verzoeken om voorlopige voorziening van:

[verzoeker], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoeker),

in verband met de hoger beroepen van:

verzoeker

tegen de uitspraken van de rechtbank Breda van 2 juni 2010 nr. 09/5496, (hierna: aangevallen uitspraak I) en van de voorzieningenrechter in de rechtbank Breda van 2 juni 2010, nrs. 10/1631 en 10/1632 (hierna: aangevallen uitspraak II),

in de gedingen tussen:

verzoeker

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen op Zoom (hierna: het College).

Datum uitspraak: 28 september 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. I.M. van den Heuvel, advocaat te Roosendaal, bij afzonderlijke beroepschriften hoger beroep ingesteld en tevens verzoeken om voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2010. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Heuvel. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.M. Mol, werkzaam bij de gemeente Bergen op Zoom.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen dat vereist.

1.2. Ingevolge artikel 8:86 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

1.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en dat ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

2.1. Verzoeker ontving sinds 19 juli 1995 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag voor woonkosten.

2.2. Op 28 april 2009 is de woning van verzoeker aan de [adres 1] te [woonplaats] op grond van een gerechtelijk bevel ontruimd. Sindsdien heeft verzoeker geen vaste woon- of verblijfplaats en is hij zwervende.

2.3. Op 22 en 24 juni 2009 hebben gesprekken plaatsgevonden tussen verzoeker en medewerkers van de sociale dienst. Het doel van deze gesprekken was om een beeld te krijgen van de feitelijke leefsituatie van verzoeker. Verzoeker is erop gewezen dat hij voor het vaststellen van het recht op bijstand zijn inschrijving bij het GBA dient te reguleren dan wel in afwachting van andere woonruimte, een postadres dient te nemen.

2.4. Bij besluit van 25 juni 2009 heeft het College verzoeker meegedeeld zijn bijstandsuitkering tot uiterlijk 1 november 2009 voort te zetten naar de norm voor een alleenstaande. Tevens is besloten met ingang van 29 april 2009 de toeslag van 20% in te trekken, omdat verzoeker geen vast woon- of verblijfadres meer heeft. Met toepassing van artikel 55 van de WWB heeft het College - voor zover hier van belang - de volgende verplichtingen opgelegd:

“ a) U dient voor 1 november 2009 geregistreerd te staan als inwoner bij een gemeentelijke basisadministratie (GBA) danwel zelfstandige woonruimte te hebben verkregen met registratie GBA.

b) U dient actief en aantoonbaar uw woon/leefsituatie te reguleren en bewijsstukken hiervan te overleggen.”

2.5. Het tegen het besluit van 25 juni 2009 gemaakte bezwaar is bij besluit van 5 november 2009 (hierna: besluit 1) gegrond verklaard, voor zover het is gericht tegen het met toepassing van artikel 55 van de WWB opleggen van de in 2.4 genoemde verplichtingen. Het College heeft het besluit van 25 juni 2009 in zoverre herroepen. De in 2.4 onder b genoemde verplichting heeft het College laten vervallen. In plaats daarvan is verzoeker de volgende verplichting opgelegd: “U dient met het oog op de verlening van bijstand aangifte te doen van een door ons ter beschikking gesteld briefadres, als bedoeld in artikel 1 van de Wet gemeenschappelijke basisadministratie persoonsgegevens, te weten [adres 2] te [woonplaats].” Het College heeft de termijn voor het nakomen van deze verplichting verlengd tot 1 januari 2010. Voorts is verzoeker meegedeeld dat indien hij er niet in slaagt om woonruimte te vinden voor 1 januari 2010, hij zich uiterlijk op 31 december 2009 dient in te schrijven op het [adres 2] te [woonplaats]. Tevens is hij er op gewezen dat zijn bijstandsuitkering op 1 januari 2010 wordt beëindigd indien hij op 1 januari 2010 nog steeds zonder adres is en geen aangifte heeft gedaan van het door het College ter beschikking gestelde briefadres.

Voor zover het de intrekking van de toeslag per 29 april 2009 betreft, heeft het College het bezwaar ongegrond verklaard onder aanvulling van de motivering en met verwijzing naar artikel 27 van de WWB en artikel 6 van de Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand 2009 (hierna: Verordening).

2.6. Bij besluit van 4 januari 2010 heeft het College - voor zover hier van belang - de uitkering van verzoeker met ingang van 1 januari 2010 beëindigd (lees: ingetrokken) omdat hij niet heeft voldaan aan het gestelde in artikel 40, eerste en tweede lid, van de WWB.

2.7. Het College heeft - voor zover hier van belang - bij besluit van 6 januari 2010 het in 2.6 genoemde besluit ingetrokken en met toepassing van artikel 40, derde lid, van de WWB de uitkering van verzoeker opgeschort omdat hij niet heeft voldaan aan het gestelde in artikel 40, eerste en tweede lid van de WWB. Aan verzoeker is een hersteltermijn geboden tot en met 22 januari 2010 om alsnog te voldoen aan de hem bij besluit 1 opgelegde verplichting. Daarbij is hij er op gewezen dat zijn bijstanduitkering wordt ingetrokken indien hij op 22 januari 2010 het gestelde verzuim niet heeft hersteld.

2.8. Nadat gebleken was dat verzoeker niet had gereageerd op het besluit van 6 januari 2010 en hij op 22 januari 2010 evenmin ingeschreven stond in het GBA dan wel aangifte had gedaan van het door het College ter beschikking gestelde adres, heeft het College bij besluit van 28 januari 2010 de uitkering van verzoeker met ingang van 1 januari 2010 beëindigd (lees: ingetrokken) op de grond dat verzoeker niet heeft voldaan aan het gestelde in artikel 40, eerste en tweede lid, van de WWB.

2.9. De tegen de besluiten van 6 en 28 januari 2010 gemaakte bezwaren zijn bij besluit van 11 maart 2010 (hierna: besluit 2) gegrond verklaard voor zover zij gericht zijn tegen de grondslag waarop de opschorting en intrekking van het recht op bijstand zijn gebaseerd. Het College heeft de besluiten in zoverre herroepen en aan de opschorting en intrekking de artikelen 54, derde lid (de Raad leest: eerste lid), respectievelijk 54, vierde lid, van de WWB ten grondslag gelegd.

3.1. Bij de aangevallen uitspraak I heeft de rechtbank - met bepalingen inzake griffierecht en proceskosten - het beroep tegen besluit 1 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd voor zover dit ziet op de verplichting hiervoor genoemd in 2.4 onder a. Tevens heeft de rechtbank het besluit van 25 juni 2009 herroepen en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het gedeeltelijke vernietigde besluit. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de in 2.4 onder a genoemde verplichting niet voortvloeit uit artikel 40, eerste of tweede lid, van de WWB en niet op grond van de WWB kan worden opgelegd. De overige aangevoerde beroepsgronden met betrekking tot de in 2.4 onder b genoemde verplichting en de intrekking van de toeslag van 20 % per 29 april 2009, heeft de rechtbank verworpen.

3.2. Bij de aangevallen uitspraak II heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep tegen besluit 2 ongegrond verklaard en het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.

4. In hoger beroep heeft verzoeker zich gemotiveerd tegen de uitspraken I en II gekeerd.

5. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Voor de tekst van de hier van belang zijnde wettelijke bepalingen van de WWB verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraken I en II.

5.2. De verplichting tot aangifte van het ter beschikking gestelde briefadres

5.2.1. Vaststaat dat verzoeker na de ontruiming van zijn woning aan de [adres 1] te [woonplaats] op 28 april 2009 niet meer woonachtig was op dat adres, dat hij geen andere woonruimte had en vanaf dat moment een zwervend bestaan leidde. Ook beschikte hij niet over een (ander) briefadres. Verzoeker is daarom per 28 april 2009 aan te merken als adresloos als bedoeld in artikel 1 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. De omstandigheid dat verzoeker meent dat de ontruiming uit zijn woning onrechtmatig was en hij tegen die ontruiming een procedure heeft aangespannen waarin nog niet onherroepelijk is beslist, maakt dat niet anders. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat verzoeker naar zijn mening per 10 augustus 2009 ten onrechte is uitgeschreven uit het GBA en op het door hem daartegen ingestelde beroep evenmin onherroepelijk is beslist.

5.2.2. Het College was dan ook op grond van artikel 40, tweede lid, van de WWB, gehouden om verzoeker de verplichting op te leggen aangifte te doen van een door het College ter beschikking te stellen adres. Blijkens de wetsgeschiedenis biedt de verplichting tot aangifte van een dergelijk briefadres aan adreslozen zonder vaste verblijfplaats enerzijds de mogelijkheid om het recht op bijstand jegens de gemeente te effectueren en wordt anderzijds een bijdrage geleverd aan de fraudebestrijding door de betrouwbaarheid van adresgegevens in de GBA te vergroten (kamerstukken II, 1997-1998, 25 697, nr. 3, p.4 en kamerstukken II, 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 67). Het recht op (voortzetting van) bijstand is immers gekoppeld aan een juiste inschrijving in het GBA, zodat een college de feitelijke woon- en leefsituatie van de belanghebbende kan verifiëren.

5.2.3. Ten aanzien van de keuze welk adres ter beschikking wordt gesteld, heeft een college beleidsvrijheid. Ter invulling daarvan heeft het College besloten het adres van de opvang voor dak- en thuisloze[adres 2] te [woonplaats], als briefadres ter beschikking te stellen. De gemaakte keuze gaat, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, een redelijke beleidsbepaling niet te buiten. Daarbij heeft hij overwogen dat indien in een gemeente een goede opvang voor dak- en thuislozen voorhanden is, het in zijn algemeenheid voor de hand ligt het adres van die opvang ter beschikking te stellen. Daarnaast acht de voorzieningenrechter het van belang dat de bij besluit 1 opgelegde verplichting, zoals de vertegenwoordiger van het College ter zitting heeft verklaard, uitsluitend inhoudt dat verzoeker, naast het doen van aangifte

van het briefadres om zo zijn inschrijving in het GBA te reguleren, zich één maal per week bij de opvang voor dak- en thuislozen dient te melden. Anders dan verzoeker stelt, betekent deze verplichting niet dat hij gehouden is dan wel gedwongen wordt ook feitelijk in de daklozenopvang te verblijven. Het staat hem vrij een andere verblijfplaats te kiezen. De stelling van verzoeker dat het College in plaats van het adres van de dak- en thuislozenopvang een ander adres ter beschikking had kunnen en moeten stellen volgt de voorzieningenrechter dan ook niet. Overigens heeft verzoeker, blijkens het verslag van de hoorzitting van 22 februari 2010, zelf te kennen gegeven (ook) geen aangifte van andere adressen te willen doen. Dat verzoeker, naar zijn zeggen, altijd per mobiele telefoon bereikbaar is en desnoods bereid is zich dagelijks te melden op het gemeentehuis kan in het licht van het voorgaande evenmin tot een ander oordeel leiden.

5.2.4. Uit het voorgaande volgt dat het College de bij besluit 1 opgelegde verplichting terecht heeft opgelegd en in redelijkheid het adres van opvang voor dak- en thuislozen aan [adres 2] te [woonplaats] als briefadres ter beschikking kon stellen.

5.3. De toeslag

5.3.1. Met betrekking tot de bij besluit 1 ingetrokken toeslag overweegt de voorzieningenrechter onder verwijzing naar de uitspraak van 30 maart 2010, LJN BL9798, dat de gemeenteraad op grond van artikel 25 van de WWB de verplichting heeft om de norm voor een alleenstaande te verhogen voor zover de belanghebbende hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander. Op grond van artikel 27 van de WWB is de gemeenteraad bevoegd deze norm of de toeslag lager vast te stellen voor zover de belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm of de toeslag voorziet als gevolg van zijn woonsituatie, waaronder begrepen het niet aanhouden van een woning. De raad van de gemeente [naam gemeente] heeft tot uitgangspunt genomen dat een dak- en thuisloze in de gemeente [naam gemeente] in het algemeen geen woonkosten heeft. Met de rechtbank is de voorzieningenrechter van oordeel dat artikel 6 van de Verordening binnen de grenzen valt die de WWB, in het bijzonder de artikelen 25 en 27 van de WWB, aan de verordenende bevoegdheid van de gemeenteraad heeft gesteld.

Voorts is de Raad van oordeel dat artikel 6 van de Verordening niet kennelijk onredelijk is, zodat er geen aanleiding is deze bepaling bij de beoordeling van de beëindiging van de toeslag van verzoeker buiten toepassing te laten. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat het College, los van het bepaalde in de Verordening, gelet op artikel 30, vierde lid, van de WWB, op grond van artikel 18, eerste lid, van de WWB, de verplichting heeft om de bijstand in het individuele geval af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. De Raad is voorts van oordeel dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn omstandigheden zodanig bijzonder zijn dat het College op grond van artikel 18, eerste lid, van de WWB gehouden is na 28 april 2009 de toeslag van 20% te blijven verlenen. Dat verzoeker de door hem gestelde woonkosten niet aannemelijk kan maken, dient voor zijn rekening en risico te blijven.

5.4. De opschorting en intrekking.

5.4.1. Aan de bij besluit 2 gehandhaafde opschorting van het recht op bijstand ligt ten grondslag dat het College, doordat verzoeker geen aangifte heeft gedaan van het ter beschikking gestelde adres, verzoekers recht op bijstand niet kon vaststellen. Deze opschorting berust op toepassing van artikel 54, eerste lid, van de WWB. Die bepaling geeft het College de bevoegdheid tot opschorting van het recht op bijstand indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent.

5.4.2. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de bij besluit 1 opgelegde verplichting van belang voor de verlening van bijstand. De in dit verband opgeworpen stelling dat het College het adres niet nodig heeft, omdat het recht op bijstand al in 1995 is vastgesteld, gaat niet op. Ook bij de beantwoording van de vraag of verzoeker recht heeft op voortzetting van de bijstand en in welke vorm die bijstand dient te worden vastgesteld, zijn controleerbare en verifieerbare gegevens over de actuele feitelijke woon- en verblijfplaats van essentieel belang. Vaststaat dat verzoeker op 1 januari 2010 niet aan de bij besluit 1 opgelegde verplichting heeft voldaan. Het College was derhalve bevoegd om met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de WWB, het recht op bijstand met ingang van 1 januari 2010 op te schorten. De voorzieningenrechter ziet geen grond om te oordelen dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot opschorting van het recht op bijstand met ingang van 1 januari 2010 gebruik heeft kunnen maken.

5.4.3. Bij zijn besluit van 6 januari 2010 heeft het College verzoeker in de gelegenheid gesteld het verzuim te herstellen door alsnog uiterlijk vóór 22 januari 2010 aan de opgelegde verplichting te voldoen. Vaststaat dat verzoeker op 22 januari 2010 niet ingeschreven stond in het GBA en ook geen aangifte had gedaan van het door het College ter beschikking gestelde adres. Ook anderszins heeft verzoeker geen informatie willen vestrekken over zijn feitelijke verblijfplaats. Hiermee is gegeven dat ook aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB is voldaan. Het College was derhalve bevoegd het recht op bijstand met ingang van 1 januari 2010 in te trekken. De Raad ziet geen grond om te oordelen dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft kunnen maken.

5.5. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de hoger beroepen niet slagen en dat de aangevallen uitspraken I en II, voor zover aangevochten, dienen te worden bevestigd.

6. Onder deze omstandigheden is geen grond aanwezig voor het treffen van voorlopige voorzieningen.

7. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken I en II, voor zover aangevochten;

Wijst de verzoeken om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 september 2010.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) J.M. Tason Avila.

BvW