Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN7953

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-08-2010
Datum publicatie
23-09-2010
Zaaknummer
09-1069 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Weigering de kosten van een laptop en een aangepaste stoel te vergoeden is terecht. Art. 15, lid 1, WWB staat aan toekenning van de gevraagde bijzondere bijstand in de weg. 2) Voor de kosten van een om medische redenen wenselijk geachte houten leesstandaard kan de Wmo niet worden beschouwd als een voorliggende en voor appellant toereikende en passende voorziening. Derhalve ontbeert het besluit in zoverre een deugdelijke motivering. 3) Ten aanzien van kleine kostenposten overweegt de Raad dat niet is gebleken van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende, substantiële (meer)kosten. 4) Kopieer- en printkosten en meerkosten van telefoon- en internetgebruik. Nu uit de beschikbare gegevens niet blijkt dat er al een besluit over bedoelde kosten is genomen, wordt het College opgedragen een besluit te nemen op dit onderdeel van het bezwaar.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 15, geldigheid: 2010-08-31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2010/326
JWWB 2010/218

Uitspraak

09/1069 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 januari 2008 (lees: 2009), 07/4113 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 31 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.J.G. Tijhuis, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend en - desverzocht - nadere stukken ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 20 juli 2010. Partijen, waarvan het College met voorafgaand bericht, zijn niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant valt sinds februari 2005 onder de Regeling chronisch zieken en gehandicapten van de gemeente Amsterdam (hierna: de Regeling). Bij besluit op bezwaar van 27 februari 2007 heeft het College op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en de Regeling aan appellant voor het jaar 2006 bijzondere bijstand verleend tot een bedrag van € 56,50 per maand. Dit bedrag omvat een vergoeding voor de eigen bijdrage thuiszorg, een maaltijdvergoeding en een toeslag van 40% van het totaal van deze vergoedingen. Voorts is in dat besluit bepaald dat ook vanaf 1 januari 2007 maandelijks een bedrag van € 56,50 dient te worden verstrekt.

1.2. Appellant heeft in februari/maart 2007 bij het College een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor een groot aantal kostenposten die verband houden met zijn chronische ziekte. De Geneeskundige en Gezondheidsdienst Amsterdam (hierna: GGD) heeft op 4 april 2007 advies uitgebracht over deze aanvraag. Het College heeft vervolgens bij besluit van 26 april 2007, overeenkomstig dat advies, de aanvraag om bijzondere bijstand van appellant gedeeltelijk ingewilligd.

1.3. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 26 april 2007 voor zover daarbij zijn aanvraag is afgewezen en voor zover hier van belang niet is beslist op zijn aanvraag met betrekking tot kopieer- en printkosten en meerkosten van telefoon- en internetgebruik.

1.4. Het College heeft dit bezwaar bij besluit van 11 september 2007 in zoverre gegrond verklaard dat voor de kosten van kledingslijtage alsnog bijzondere bijstand wordt verleend en het besluit van 26 april 2007 voor het overige gehandhaafd. Aan de besluitvorming is ten grondslag gelegd, voor zover hier van belang, dat de ziektekostenverzekeraar Agis, waarbij appellant is verzekerd, computers verstrekt aan lichamelijk gehandicapten, dat ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) de Stichting Centrum Indicatiestelling (hierna: CIZ) het adviesorgaan is om een houten leesstandaard te indiceren, dat blijkens het door appellant overgelegde besluit van Agis van 8 augustus 2006 de kosten van een aangepaste stoel kunnen worden vergoed en dat de kosten van een zwembroek, zwenkwielen voor het rijdend maken van meubilair, een kussentje en tandpasta van het merk Sensodyne (hierna: kleine kostenposten) algemeen gebruikelijk zijn en niet leiden tot reële meerkosten.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 11 september 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Onder verwijzing naar de door hem in beroep aangevoerde beroepsgronden, heeft hij, kort samengevat, het volgende aangevoerd. De ziektekostenverzekering van appellant kan niet worden aangemerkt als een aan de WWB voorliggende voorziening voor de kosten van een laptop en een aangepaste stoel. De Wmo kan niet worden aangemerkt als een aan de WWB voorliggende voorziening voor de kosten van een houten leesstandaard. De kleine kostenposten die appellant heeft als gevolg van zijn ziekte vertegenwoordigen tezamen een zodanig groot bedrag dat hij deze kostenposten niet uit zijn middelen kan voldoen. De rechtbank heeft ten onrechte geen inhoudelijk oordeel gegeven over de beroepsgrond die ziet op de onder 1.3 genoemde kopieer-, print-, telefoon- en internetkosten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. Ingevolge artikel 15, eerste lid, eerste volzin, van de WWB bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Ingevolge de tweede volzin strekt het recht op bijstand zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt. Daarmee is gedoeld op de situatie dat binnen de voorliggende voorziening een bewuste beslissing is genomen over de noodzaak van bepaalde kostensoorten in het algemeen of in een specifieke situatie. Indien binnen de voorliggende voorziening het gevraagde in een bepaalde situatie niet noodzakelijk is geacht, dient de toepassing van de WWB zich daarbij aan te sluiten.

4.1.2. De Raad begrijpt het standpunt van het College aldus dat, wat de kosten voor een computer (laptop) en een aangepaste stoel betreft, de ziektekostenverzekering van appellant bij Agis moet worden beschouwd als een voorliggende en voor appellant toereikende en passende voorziening en dat, wat de kosten van een houten leesstandaard betreft, de Wmo moet worden beschouwd als een zodanige voorziening.

4.2. Laptop

4.2.1. In zijn bezwaarschrift tegen het besluit van 26 april 2007 heeft appellant uiteengezet dat door zijn ziekte (fibromyalgie) zowel het zich verplaatsen als het zitten voor hem zeer belastend is en maar voor korte tijd mogelijk, waardoor hij niet of slechts heel beperkt in staat is om contact te houden met de buitenwereld - bezoeken aan familie, vrienden of instellingen - en hij ook zijn werkzaamheden als fotograaf en redacteur niet of slechts zeer beperkt kan uitoefenen. Met behulp van een draagbare computer met internet is het voor hem mogelijk om liggend te communiceren met zijn omgeving (via email) en redactiewerkzaamheden te verrichten. In hoger beroep heeft appellant gesteld dat hij niet is aan te merken als lichamelijk gehandicapte in de zin van de Regeling zorgverzekering (voorheen: Regeling hulpmiddelen) en dat Agis uitsluitend reguliere (vaste) computers vergoedt en geen laptops.

4.2.2. Ingevolge artikel 2.6, eerste lid, onder t, van de op de Zorgverzekeringswet (Zvw) gebaseerde Regeling zorgverzekering (Stcrt. 2007, 171) bestaat aanspraak op vergoeding van hulpmiddelen voor communicatie, informatievoorziening en signalering als omschreven in artikel 2.26 van deze regeling. Ingevolge artikel 2.26, eerste lid, onder a, van de Regeling zorgverzekering omvatten hulpmiddelen als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, onder t: computers met bijbehorende apparatuur voor lichamelijk gehandicapten, indien de lichamelijk gehandicapte voor informatie en communicatie of bediening van huishoudelijke hulpmiddelen geheel of nagenoeg geheel op deze middelen is aangewezen. In de toelichting is vermeld om welke categorieën lichamelijke handicaps het gaat.

4.2.3. Hieruit vloeit voort dat voor de kosten van een computer die volgens appellant om medische redenen is aangewezen de Zvw in beginsel als een aan de WWB voorliggende, toereikende en passende voorziening dient te worden beschouwd. Uit artikel 2.26, eerste lid, onderdeel a, van de Regeling zorgverzekering en de toelichting daarop leidt de Raad af dat het hier gaat om een uitputtende regeling voor het vergoeden van uit medisch oogpunt noodzakelijk geachte computers. Het buiten de voorziening laten van de kosten van computers in gevallen waarin niet is voldaan aan de in de Regeling zorgverzekering gestelde voorwaarden, moet dan ook worden beschouwd als een bewuste keuze over de noodzakelijkheid van de hier aan de orde zijnde voorziening. Gelet hierop staat in dit geval artikel 15, eerste lid, van de WWB aan toekenning van de gevraagde bijzondere bijstand in de weg.

4.3. Aangepaste stoel

4.3.1. In zijn bezwaarschrift heeft appellant, onder verwijzing naar brieven van zijn ergotherapeut en zijn huisarts van 24 oktober 2005, respectievelijk 9 februari 2007, uiteengezet dat hij een aangepaste stoel nodig heeft die in verschillende houdingen kan worden gezet, omdat dit de enige manier is waarop hij kan zitten zonder (extreme) pijn door te maken. In hoger beroep heeft appellant gesteld dat Agis de door hem gewenste aangepaste stoel, een zogeheten relax-fauteuil, niet heeft vergoed.

4.3.2. Ingevolge artikel 2.6, eerste lid, onder ee, van de op de Zvw gebaseerde Regeling zorgverzekering bestaat aanspraak op vergoeding van hulpmiddelen voor inrichtingselementen als omschreven in artikel 2.33 van deze regeling. Ingevolge artikel 2.33, eerste lid, onder b, van de Regeling zorgverzekering omvatten hulpmiddelen als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, onder ee: aan functiebeperkingen aangepaste stoelen, indien sprake is van problemen bij het zitten, gaan zitten of het opstaan, niet kan worden volstaan met een stoel die voldoet aan de normale ergonomische eisen en niet uitsluitend sprake is van vetzucht, reuzen- of dwerggroei, waarbij de stoelen zijn voorzien van een of meer van vijf nader genoemde functies of aanpassingen. In de toelichting is aangegeven bij welke problemen wel aanspraak bestaat op vergoeding van een aangepaste stoel en bij welke problemen niet en welke aanpassingen worden beschouwd als aanpassingen die voldoen aan de normale ergonomische eisen en om die reden niet voor vergoeding in aanmerking komen.

4.3.3. Hieruit vloeit voort dat voor de kosten van een aangepaste stoel die volgens appellant om medische redenen is aangewezen - eveneens - de Zvw in beginsel als een aan de WWB voorliggende, toereikende en passende voorziening dient te worden beschouwd. Uit artikel 3.33, eerste lid, onder b, van de Regeling zorgverzekering en de toelichting daarop leidt de Raad af dat het hier gaat om een uitputtende regeling voor vergoeding van uit medisch oogpunt noodzakelijk geachte aangepaste stoelen. Het buiten de voorziening laten van de kosten van andere soorten aangepaste stoelen dan die in deze regeling zijn opgenomen, moet dan ook worden beschouwd als een bewuste keuze over de noodzakelijkheid van de hier aan de orde zijnde voorziening. Gelet hierop staat in dit geval artikel 15, eerste lid, van de WWB aan toekenning van de gevraagde bijzondere bijstand in de weg.

4.4. Houten leesstandaard

4.4.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, onder g, onder 5° en 6°, van de Wmo, wordt onder maatschappelijke ondersteuning onder meer verstaan:

5°. het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijke verkeer en van het zelfstandig functioneren van mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem;

6°. het verlenen van voorzieningen aan mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en aan mensen met een psychosociaal probleem ten behoeve van het behouden en het bevorderen van hun zelfstandig functioneren of hun deelname aan het maatschappelijke verkeer.

4.4.2. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wmo treft het college van burgemeester en wethouders ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, onder - voor zover hier van belang - 5° en 6°, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen:

a. een huishouden te voeren;

b. zich te verplaatsen in en om de woning;

c. zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel;

d. medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan.

4.4.3. Nog daargelaten of appellant is te beschouwen als een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, onder 5° en 6°, van de Wmo, moet naar het oordeel van de Raad als vaststaand worden aangenomen dat de door appellant om medische redenen wenselijk geachte houten leesstandaard niet valt onder de in artikel 4, eerste lid, van de Wmo geduide voorzieningen die het College op het gebied van maatschappelijke ondersteuning voor personen met beperkingen moet treffen. Gelet hierop is de Raad van oordeel dat voor de kosten van een om medische redenen wenselijk geachte houten leesstandaard de Wmo niet kan worden beschouwd als een voorliggende en voor appellant toereikende en passende voorziening. Derhalve ontbeert het besluit van 11 september 2007 in zoverre een deugdelijke motivering.

4.5. Kleine kostenposten

4.5.1. Tussen partijen is niet in geschil dat het hier gaat om algemeen gebruikelijke kosten. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat dergelijke kosten als algemeen noodzakelijke bestaanskosten in beginsel uit de bijstandsnorm dienen te worden voldaan. Van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende, substantiële (meer)kosten is de Raad, evenals de rechtbank, niet gebleken. De Raad tekent hierbij nog aan dat de op grond van de Regeling aan appellant verstrekte toeslag, bedoeld onder 1.1, in 2006 op jaarbasis € 207,98 bedroeg.

4.6. Kopieer- en printkosten en meerkosten van telefoon- en internetgebruik

4.6.1. De Raad stelt vast dat de rechtbank heeft geoordeeld dat de beroepsgrond van appellant, inhoudende dat in het besluit van 11 september 2007 ten onrechte niet is ingegaan op de hier aan de orde zijnde kosten, waarvoor bijzondere bijstand was aangevraagd maar waarover bij het besluit van 26 april 2007 niet was beslist, buiten de omvang van het geding valt. Hiermee heeft de rechtbank miskend dat deze beroepsgrond was gericht tegen het achterwege blijven van een beslissing op het bezwaar voor zover dit was gericht tegen het niet nemen van een beslissing over deze kosten. Door op dat punt niet te beslissen, heeft de rechtbank in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Awb in zoverre niet op de grondslag van het beroepschrift uitspraak gedaan. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad acht terugwijzing niet noodzakelijk en zal doen hetgeen de rechtbank zou behoren te doen.

4.6.2. De Raad stelt vast dat het College niet heeft beslist op het bezwaar van appellant tegen het achterwege blijven van een beslissing op zijn aanvraag om bijzondere bijstand, voor zover deze ziet op kopieer- en printkosten en meerkosten van telefoon- en internetgebruik. Derhalve dient het beroep in zoverre gegrond te worden verklaard en komt het besluit van 11 september 2007 in zoverre voor vernietiging in aanmerking. Nu uit de beschikbare gegevens niet blijkt dat er al een besluit over bedoelde kosten is genomen, zal de Raad het College opdragen een besluit te nemen op dit onderdeel van het bezwaar.

4.7. Uit hetgeen is overwogen onder 4.4.1 tot en met 4.4.3 volgt dat het hoger beroep ook slaagt voor zover het de kosten van een houten leesstandaard betreft en dat de aangevallen uitspraak ook in zoverre dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal Raad het beroep gegrond verklaren, voor zover het ziet op de kosten van een houten leesstandaard, en het besluit van 11 september 2007 in zoverre vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Voor het overige komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden begroot op € 322,-- in beroep en € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op de kosten van een houten leesstandaard en voor zover daarbij niet is beslist op de beroepsgrond die is gericht tegen het achterwege blijven van een beslissing op de aanvraag om bijzondere bijstand voor zover deze ziet op kopieer- en printkosten en meerkosten van telefoon- en internetgebruik;

Verklaart het beroep in zoverre gegrond en vernietigt in zoverre het besluit van 11 september 2007;

Bepaalt dat het College in zoverre een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 644,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het College aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en R. Kooper en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2010.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) R. Scheffer.

HD