Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN7883

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-08-2010
Datum publicatie
23-09-2010
Zaaknummer
08-3975 WWB + 08-3976 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening , intrekking en terugvordering bijstand wegens inkomsten uit stortingen dan wel een vermogen boven de vermogensgrens. Maatregel. Appellanten zijn er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat het op de (verzwegen) rekening staande tegoed geen bestanddeel vormt van het vermogen waarover zij daadwerkelijk beschikken of redelijkerwijs de beschikking kunnen verkrijgen. Het saldo op de rekening is vrijwel geheel ontstaan uit contante stortingen waarvan appellanten de herkomst niet op bevredigende wijze hebben kunnen verklaren. De door het College overgelegde berekeningen (m.b.t. de herziening, intrekking en terugvordering) zijn voldoende inzichtelijk. Nieuwe vermogensvaststelling. Beroep op het vertrouwensbeginsel faalt. Geen uitdrukkelijke en ongeclausuleerde toezegging door het College.

Wetsverwijzingen
Participatiewet
Participatiewet 34
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2010/325

Uitspraak

08/3975 WWB

08/3976 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] en [appellante], beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 29 mei 2008, 07/5441 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 31 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. H. Gailjaard, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2010. Appellant is verschenen met bijstand van mr. Gailjaard, die tevens optrad namens appellante. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Punter, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten ontvingen van 2 juli 1999 tot 1 oktober 2000 en vervolgens vanaf 1 oktober 2002 bijstand, eerst op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) en naderhand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor gehuwden. In februari 2005 is uit een signaal van het Inlichtingenbureau naar voren gekomen dat appellanten, naast een bekende rekening bij de ABN AMRO Bank, beschikken over een rekening bij de Fortis Bank die zij niet aan het College hadden opgegeven. Naar aanleiding hiervan heeft het College een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. De resultaten daarvan zijn onder meer neergelegd in een rapport van 20 februari 2007.

1.2. Naar aanleiding van deze onderzoeksresultaten heeft het College bij besluit van 22 februari 2007 de bijstand van appellanten over de periode van 1 mei 2000 tot en met 31 juli 2005 met betrekking tot nader aangegeven maanden herzien dan wel ingetrokken wegens inkomsten uit stortingen dan wel een vermogen boven de vermogensgrens en de kosten van deze bijstand tot een bedrag van € 15.243,34 van hen teruggevorderd.

1.3. Bij besluit van 12 april 2007 heeft het College appellanten wegens schending van de op hen rustende inlichtingenverplichting de maatregel opgelegd van verlaging van de uitkering met 30% gedurende één maand.

1.4. Bij besluit van 11 juni 2007 heeft het College de tegen deze besluiten gerichte bezwaren van appellanten ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellanten tegen het besluit van 11 juni 2007 ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, komt de Raad tot de volgende beoordeling.

3.1. Niet in geschil is dat de rekening bij de Fortisbank op naam van appellanten staat, dat appellanten het bestaan van deze rekening tegenover het College hebben verzwegen en dat zij daardoor de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw en artikel 17, eerste lid, van de WWB op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden.

3.2. Appellanten hebben betoogd dat een deel van het saldo op de Fortis-rekening niet aan hen toekwam, maar aan hun zwager en broer [naam broer]. Naar vaste rechtspraak rechtvaardigt evenwel het feit dat een bankrekening op naam staat van een betrokkene de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs de beschikking kan verkrijgen. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. Daarin zijn appellanten niet geslaagd. De overgelegde, summiere en kennelijk achteraf opgestelde, verklaringen van [naam broer] zijn daartoe niet voldoende. Objectieve en verifieerbare gegevens ontbreken.

3.3. De stelling van appellanten dat het gelden betreft die zij uit de bijstand hebben gespaard, zodat deze ingevolge artikel 34, tweede lid, aanhef en onder c, van de WWB buiten beschouwing moeten blijven, slaagt evenmin. Niet aannemelijk is dat de verhoudingsgewijs hoge bedragen waar het om gaat kunnen worden verklaard uit de door appellanten gestelde zuinige leefwijze, nog daargelaten dat sprake is van aanzienlijke uitgaven voor auto's en vakanties. Doch wat daarvan verder zij, doorslaggevend is reeds dat het saldo op de Fortis-rekening vrijwel geheel is ontstaan uit contante stortingen waarvan appellanten de herkomst niet op bevredigende wijze hebben kunnen verklaren. De Raad onderschrijft in grote lijnen hetgeen door de rechtbank op dit punt is overwogen. Naar aanleiding van hetgeen door appellanten in hoger beroep is aangevoerd, voegt hij daaraan toe dat aan de overtuigingskracht van het door appellanten te leveren bewijs hoge eisen dienen te worden gesteld. Door de Fortis-rekening te verzwijgen, hebben appellanten het College de mogelijkheid onthouden om de herkomst van de gelden te onderzoeken op het moment waarop de stortingen plaatsvonden en de gestelde besparingen zijn gerealiseerd. Om die reden moet worden teruggevallen op een reconstructie achteraf. Deze is naar haar aard omgeven met onzekerheden, die door de betrouwbaarheid en controleerbaarheid van het bewijsmateriaal moeten worden gecompenseerd. Appellanten hebben (behoudens één door het College geaccepteerde opname van de bekende bankrekening en storting op de verwegen bankrekening van € 2.000, -) geen gegevens kunnen overleggen die aan deze eisen voldoen. Hun bewijsnood hebben zij met de schending van de inlichtingenverplichting over zichzelf afgeroepen.

3.4. Wat betreft de berekening van de intrekking dan wel herziening en het terug te vorderen bedrag, komt uit de stukken genoegzaam naar voren dat het College de contante stortingen als inkomsten in aanmerking heeft genomen in de maand waarin deze zijn gedaan en, voor zover zij de bijstandsnorm overschreden, het meerdere aan het vermogen heeft toegevoegd. Voor zover sprake was van overschrijding van de voor appellanten geldende vermogensgrens, heeft het College op het meerdere een fictieve intering toegepast. Blijkens het verhandelde ter zitting kunnen appellanten zich op zichzelf met dit systeem verenigen, maar kunnen zij de invulling met bedragen niet volgen. Dit bezwaar tegen de berekening is door appellanten echter niet verder geconcretiseerd. De Raad acht de door het College overgelegde berekeningen voldoende inzichtelijk, zodat deze beroepsgrond geen doel treft. Hetzelfde geldt voor de stelling van appellanten dat bij de terugvordering ten onrechte geen rekening is gehouden met de periode gedurende welke zij geen bijstand hebben ontvangen. De overgelegde berekeningen laten zien dat de bedoelde periode, van oktober 2000 tot oktober 2002, niet in de terugvordering is begrepen.

3.5. Appellanten hebben zich nog beroepen op het besluit van 8 juli 2005 waarbij het College, na herbeoordeling, onder meer hun vermogen opnieuw heeft vastgesteld en dit heeft bepaald op € 0,--. Appellanten hebben erop gewezen dat op dat moment reeds bekend was dat zij de Fortis-rekening hadden verzwegen en menen aan deze vermogensvaststelling het in rechte te honoreren vertrouwen te hebben mogen ontlenen dat aan de verzwijging voor hen geen verdere consequenties zouden worden verbonden. Dit beroep op het vertrouwensbeginsel kan echter niet slagen. Van een uitdrukkelijke en ongeclausuleerde toezegging door het College is de Raad niet gebleken. Het besluit van 8 juli 2005 kan niet als zodanig worden aangemerkt, reeds omdat het College twee dagen voordien de bankafschriften van de Fortisrekening had opgevraagd en appellanten deze nog niet hadden ingeleverd. Dit laatste is pas op 19 juli 2005 gebeurd. Appellanten hebben dan ook kunnen en moeten begrijpen dat bij de hernieuwde vaststelling van hun vermogen - wat ook de betekenis daarvan is geweest - de kwestie van de Fortis-rekening nog niet was betrokken en dat zij met een nadere herbeoordeling van hun recht op bijstand rekening dienden te houden.

3.6. Het hoger beroep inzake de herziening en de terugvordering treft derhalve geen doel. Nu appellanten met betrekking tot de maatregel geen zelfstandige beroepsgronden hebben aangevoerd, behoeft het oordeel van de rechtbank daarover verder niet te worden besproken. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en R. Kooper en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2010.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) R. Scheffer.

HD