Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN7848

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-09-2010
Datum publicatie
22-09-2010
Zaaknummer
08-1581 WWB + 08 -1582 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bankrekening niet op naam; toch over die bankrekening kunnen beschikken. Naar vaste rechtspraak van de Raad rechtvaardigt het feit dat een bankrekening op naam staat van een betrokkene de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs de beschikking kan verkrijgen. Deze situatie doet zich in het onderhavige geval niet voor, aangezien de betreffende bankrekening niet op naam van betrokkene stond. Op grond van een aantal feiten en omstandigheden is de Raad echter van oordeel dat als vaststaande moet worden aangenomen dat de betrokkene ten tijde in geding feitelijk gebruik maakte van de Rabobankrekening en dus redelijkerwijs over (de tegoeden op) die rekening kon beschikken. Door van die rekening geen melding te maken, heeft betrokkene de inlichtingenverplichting geschonden. De Raad stelt vervolgens vast dat de beschikbare bankafschriften van de Rabobankrekening een groot aantal kasopnames en (kas)stortingen van aanzienlijke omvang laten zien en ook overigens blijk geven van een zeer intensief en grootschalig gebruik van die rekening. Wat er precies met die opnames is gebeurd en waar de stortingen vandaan komen, is niet duidelijk. In aanmerking genomen voorts dat betrokkene ten tijde in geding feitelijk gebruik maakte van de Rabobankrekening en dus redelijkerwijs over (de tegoeden op) die rekening kon beschikken, is de Raad van oordeel dat als gevolg van de onder 4.5 omschreven schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand van betrokkene over de in geding zijnde periode niet kan worden vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 17
Wet werk en bijstand 54
Wet werk en bijstand 58
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2010/269
JWWB 2010/220
USZ 2010/327
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1581 WWB

08/1582 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

1. de curator in het faillissement van [H.], wonende te [woonplaats],

2. [appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 22 januari 2008, 07/512 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[H.] en appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Midden-Drenthe (hierna: College)

Datum uitspraak: 7 september 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens [H.] (hierna: [H.]) en appellante heeft mr. I.M. Weijers, advocaat te Emmen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 26 mei 2009 heeft M.J.A. Steensma, werkzaam bij Trip Advocaten en Notarissen te Assen, meegedeeld dat de rechtbank Assen op 10 februari 2009 het faillissement van [H.] heeft uitgesproken. Bij brief van 21 april 2010 heeft

mr. drs. D. Rietberg meegedeeld dat mr. J.J. Reiziger (hierna: appellant) in de hoedanigheid van curator van [H.] het geding wenst voort te zetten.

Mr. drs. Rietberg fungeert als gemachtigde van zowel appellant als appellante.

Appellanten hebben de beroepsgronden aangevuld en nadere stukken aan de Raad gezonden. Het College heeft vervolgens een nader verweerschrift ingediend en nadere stukken aan de Raad doen toekomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juli 2010. Voor appellanten is verschenen mr. drs. Rietberg. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Goed en mr. J.J. de Muinck, beiden werkzaam bij de gemeente Midden-Drenthe.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. [H.] en appellante (hierna: [H.] c.s.) ontvingen van 1 november 1997 tot 1 mei 2005 - met uitzondering van de periode van 1 maart 1998 tot 1 juni 1998 - bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Uit onderzoek van het College is onder meer naar voren gekomen dat de kinderbijslag van [H.] c.s. in die periode werd gestort op een niet aan het College opgegeven bankrekening bij de Rabobank, nummer [nr.] (hierna: Rabobankrekening). Mede naar aanleiding daarvan heeft het bureau sociale recherche, unit handhaving, regio Assen (hierna: sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan [H.] c.s. verleende bijstand en een strafrechtelijk onderzoek gestart naar uitkeringsfraude en valsheid in geschrifte. In het kader van dit onderzoek zijn bankgegevens opgevraagd bij de Rabobank, is [H.] verhoord en zijn getuigen gehoord, onder wie de moeder van [H.]. Vastgesteld is dat de Rabobankrekening tot 24 maart 2004 uitsluitend op naam stond van [naam vader], de vader van [H.] (hierna: [H.] senior), en na die datum mede op naam van [H.]. Daarnaast is geconstateerd dat op de verkregen bankafschriften van deze rekening boekingen voorkomen die vermoedelijk te maken hadden met privé-uitgaven van het gezin [H.], alsmede periodieke betalingen afkomstig van ‘[S.]’ en ‘[F.]’. Op basis van een door R. [F.] (hierna: [F.]) afgelegde getuigenverklaring is vastgesteld dat [H.] een vordering op [F.] had van fl. 35.000,--, die verband hield met de verkoop in 1994 van restaurant [naam restaurant] door [H.] aan [F.] en waarover laatstgenoemde jaarlijks rente betaalde. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 8 september 2006, respectievelijk een op 28 november 2006 gesloten proces-verbaal.

1.3. Op grond van deze onderzoeksresultaten heeft het College bij besluit van 6 november 2006, in bezwaar gehandhaafd bij besluit van 26 april 2007, de bijstand van [H.] c.s. over de periode van 1 december 1997 tot 1 mei 2005 herzien (lees: ingetrokken) en de over die periode gemaakte kosten van bijstand van hen teruggevorderd tot een bedrag van € 117.618,46. Aan de besluitvorming is onder andere ten grondslag gelegd dat [H.] c.s. de op hen rustende wettelijke inlichtingenverplichting hebben geschonden door geen melding te maken van de vordering van [H.] op [F.] van fl. 35.000,--, alsmede van een aantal bankrekeningen waarover [H.] kon beschikken, waaronder de Rabobankrekening. Als gevolg van deze schending kan het recht op bijstand over de hiervoor genoemde periode niet worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 26 april 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt allereerst vast dat de intrekking van de bijstand en de terugvordering van de kosten van bijstand over de periode van 24 maart 2004 tot 1 mei 2006 niet (meer) in geschil zijn.

4.2. Wat de periode tot 24 maart 2004 betreft, is in geschil of [H.] c.s. de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden en zo ja, wat de gevolgen daarvan zijn voor hun recht op bijstand. Daarbij is tussen partijen onder meer in geschil of [H.] een vordering op [F.] heeft van fl. 35.000,-- die tot het vermogen van [H.] c.s. moet worden gerekend en had moeten worden gemeld, en of [H.] beschikte of redelijkerwijs kon beschikken over de (tegoeden op de) niet opgegeven Rabobankrekening van [H.] senior.

4.3. De vordering van fl. 35.000,--

4.3.1. Getuige [F.] heeft tegenover de sociale recherche verklaard: “In 1994 is met behulp van geld van ons restaurant “[naam restaurant]” [vestigingsplaats] overgenomen van de heer [R. H.]. (…) Bij de betaling aan [H.] hebben we een gedeelte van de koopsom achtergehouden in verband met eventuele verborgen gebreken. Het was een soort achtergestelde lening van f 35.000,-- op aanraden van de bankdirecteur. [R. H.] ging hiermee akkoord. Wij hebben per maand steeds rente voor de lening naar [R. H.] overgemaakt. Ik denk dat [R. H.] het rekeningnummer had opgegeven voor het overmaken van de rente. (…). We hebben de 35 duizend gulden ook niet betaald. (…).” [H.] heeft tegenover de sociale recherche verklaard dat de vordering bij zijn vader is ‘blijven staan’, in ruil voor geld dat [H.] senior hem gaf voor de aanschaf van vervoermiddelen om naar Roemenië te vertrekken.

4.3.2. Volgens appellanten zijn de op de vordering van fl. 35.000,-- betrekking hebbende papieren door brand verloren gegaan. Appellanten stellen dat deze vordering vanaf het ontstaan daarvan op naam van [H.] senior heeft gestaan. Dit zou volgens hen blijken uit de ‘Akte van schuldbekentenis’ van 9 februari 1994 die bij het faillissement van [H.] boven water is gekomen en uit het feit dat de door [F.] uit hoofde van die vordering verschuldigde rente werd gestort op de Rabobankrekening, die ten tijde in geding uitsluitend op naam van [H.] senior stond.

4.3.3. Naar het oordeel van de Raad blijkt uit de verklaring van [F.] onmiskenbaar dat hij een bedrag van fl. 35.000,-- aan [H.] verschuldigd was. De hiervoor genoemde, pas in hoger beroep overgelegde ‘Akte van schuldbekentenis’, betreft een verklaring van [F.] dat hij aan [H.] senior een bedrag van fl. 32.500,--, te weten fl. 45.000,--, minus ‘de onderlinge regeling van’ fl. 12.500,--, verschuldigd is wegens ‘ter leen ontvangen gelden’. Tevens verklaart [F.] dat hij het bedrag van fl. 32.500,-- zal terugbetalen in één termijn van fl. 15.000,-- en elf kwartaal termijnen van fl. 1.590,90 en dat hij 8% rente verschuldigd is over het openstaande bedrag. De Raad stelt vast dat deze gegevens niet overeenkomen met de - summiere - gegevens over de vordering, zoals die blijken uit de getuigenverklaring van [F.] en de bankafschriften van de Rabobankrekening. Zo gaat het om een ander bedrag, zou het bedrag van fl. 32.500,-- volgens bedoelde akte al lang afgelost moeten zijn, terwijl volgens de verklaring van [F.] nog niets is afgelost van het bedrag van fl. 35.000,--, en komt het rentepercentage dat in de akte wordt genoemd niet overeen met de rentebetalingen die op de bankafschriften voorkomen. Op basis van de ‘Akte van schuldbekentenis’ kan naar het oordeel van de Raad dan ook niet worden aangenomen dat de vordering vanaf het moment van ontstaan daarvan op naam van [H.] senior heeft gestaan. Dat en waarom de gegevens op deze akte niet kloppen en op een later tijdstip moeten zijn vervangen door een andere akte, zoals appellanten eerst ter zitting van de Raad naar voren hebben gebracht, is op geen enkele wijze met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd, zodat de Raad daaraan voorbij zal gaan.

4.3.4. Uit hetgeen hierna zal worden overwogen ten aanzien van de Rabobankrekening, volgt dat de omstandigheid dat [F.] de rentebetalingen naar die rekening overschreef, evenmin uitwijst dat de vordering vanaf het ontstaan daarvan op naam van [H.] senior heeft gestaan. Nu andere objectieve en verifieerbare gegevens waaruit dat zou kunnen worden afgeleid ontbreken, is de Raad van oordeel dat het College met de getuigenverklaring van [F.] aannemelijk heeft gemaakt dat [H.] een vordering van fl. 35.000,-- had op [F.]. Het ontbreken van dergelijke gegevens ligt naar het oordeel van de Raad in de risicosfeer van appellanten.

4.3.5. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, kan volgens vaste rechtspraak van de Raad een vordering pas als een middel in de zin van artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB worden aangemerkt, indien vast staat dan wel redelijkerwijs aannemelijk is dat betrokkene deze vordering direct met succes kan opeisen dan wel anderszins te gelde kan maken. De Raad ziet in het onderhavige geval geen aanknopingspunten dat [H.] de vordering bij aanvang van de bijstandsperiode niet met succes had kunnen opeisen, zodat deze vordering als een middel (vermogen) in de hiervoor bedoelde zin moet worden aangemerkt.

4.4. De Rabobankrekening

4.4.1. Naar vaste rechtspraak van de Raad rechtvaardigt het feit dat een bankrekening op naam staat van een betrokkene de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs de beschikking kan verkrijgen.

4.4.2. De Raad stelt vast dat, nu de Rabobankrekening tot 24 maart 2004 uitsluitend op naam van [H.] senior heeft gestaan, de onder 4.4.1 bedoelde situatie zich in het onderhavige geval niet voordoet. De Raad is echter op grond van de volgende feiten en omstandigheden van oordeel dat als vaststaande moet worden aangenomen dat [H.] ten tijde in geding feitelijk gebruik maakte van de Rabobankrekening en dus redelijkerwijs over (de tegoeden op) die rekening kon beschikken.

- De kinderbijslag werd op deze rekening gestort, evenals het salaris dat [H.] gedurende de periode van maart 2000 tot en met september 2000 ontving voor - niet aan het College gemelde - werkzaamheden bij [naam werkgever].

- Van de Rabobankrekening werden periodieke en incidentele betalingen gedaan die ten goede kwamen aan [H.] c.s..

- In de loop van de procedure en ter zitting van de Raad hebben [H.] c.s., c.q. appellanten, kenbaar gemaakt dat [H.] zijn vader, die slecht zag en dementerend was, heeft geholpen met het verrichten van pinbetalingen en ook wel zelf pinbetalingen heeft verricht, onder meer - regelmatig - bij Gamma en andere doe-het-zelfzaken.

- [H.] senior had naast de Rabobankrekening nog een bankrekening bij de Rabobank (nummer [nr.]), waarvan soms bedragen werden overgemaakt naar de Rabobankrekening ten name van ‘r.p. [H.]’.

- [H.] heeft tegenover de sociale recherche verklaard dat hij wel eens dingen van de Rabobankrekening betaalde als hij en zijn gezin knijp zaten, dat ze dan boodschappen kochten van deze rekening, dat hij de enige was die kon pinnen van die rekening en dat hij via de Rabobankrekening ook onderdelen van Mercedessen voor zichzelf kocht. De moeder van [H.] heeft onder meer verklaard dat [H.] met toestemming van zijn vader Mercedesonderdelen kocht en dat [H.] senior had gezegd: “Neem het maar. Pak het maar.”, dat [H.] meer geld mocht ‘pakken’ dan er aan kinderbijslag binnenkwam en dat hij ook geld mocht ‘pakken’ om voor zijn kinderen dingen te kopen. Weliswaar hebben deze verklaringen, strikt genomen, betrekking op de situatie na 24 maart 2004, toen de Rabobankrekening mede op naam van [H.] stond, maar de bankafschriften laten geen verschil zien in transacties die vóór en na die datum van deze rekening hebben plaatsgevonden.

4.4.3. De Raad stelt vast dat de beschikbare bankafschriften van de Rabobankrekening een groot aantal kasopnames en (kas)stortingen van aanzienlijke omvang laten zien en ook overigens blijk gegeven van een zeer intensief en grootschalig gebruik van die rekening. Wat er precies met die opnames is gebeurd en waar de stortingen vandaan komen, is niet duidelijk. Van belang hierbij is dat, zoals onder 4.4.2 is overwogen, [H.] ten tijde in geding feitelijk gebruik maakte van de Rabobankrekening en dus redelijkerwijs over (de tegoeden op) die rekening kon beschikken.

4.5. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, is de Raad met de rechtbank en het College van oordeel dat [H.] c.s., door geen melding te maken van de vordering van [H.] op [F.], en van de Rabobankrekening, de op hen ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Algemene bijstandswet en artikel 17, eerste lid, van de WWB rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden. De omstandigheid dat [H.] door de strafrechter is vrijgesproken van hetgeen hem in verband met de onderhavige bijstandszaak ten laste is gelegd, kan hieraan niet afdoen. De bestuursrechter is immers in de vaststelling van en het oordeel over het hem voorgelegde geschil in het algemeen niet gebonden aan hetgeen in een strafrechtelijk geding door de desbetreffende rechter is geoordeeld, te minder nu in een strafrechtelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is. De Raad is voorts van oordeel dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand van [H.] c.s. over de in geding zijnde periode niet kan worden vastgesteld.

4.6. Het College was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de aan [H.] c.s. over de periode van 1 december 1997 tot 1 mei 2005 verleende bijstand in te trekken. De wijze waarop van deze bevoegdheid gebruik is gemaakt kan buiten bespreking blijven, nu daartegen geen zelfstandige beroepsgronden zijn aangevoerd.

4.7. Uit het vorenstaande vloeit tevens voort dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het College bevoegd was om de kosten van de ten onrechte over de hiervoor genoemde periode verstrekte bijstand terug te vorderen. Het door appellanten gedane beroep op verjaring treft geen doel, reeds niet omdat ten tijde van het (primaire) besluit van 6 november 2006 nog geen vijf jaren waren verstreken sinds het College bekend was geworden met gegevens waaruit kon worden afgeleid dat ten behoeve van [H.] c.s. wellicht ten onrechte bijstand was verstrekt. Dat de terugvorderingsperiode meer dan vijf jaar beslaat, maakt dat niet anders. De Raad ziet voorts geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid ten volle van zijn bevoegdheid tot terugvordering gebruik heeft kunnen maken. Dat andere gemeenten, naar appellanten stellen, in het kader van het beleid tot terugvordering dat wordt gevoerd een terugvorderingsperiode van niet langer dan vijf jaar hanteren, betekent niet dat het door het College genomen besluit van 26 april 2007, waarbij niet een dergelijke periode in acht is genomen, in strijd komt met het rechtszekerheids- en/of het vertrouwensbeginsel. De WWB voorziet immers in een gedecentraliseerde uitvoering. De mogelijkheid van een verschillende uitvoering per gemeente is daarmee gegeven.

4.8. Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak zal dan ook worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter en H.J. de Mooij en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 september 2010.

(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.

(get.) R.L.G. Boot.

JvS