Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN6914

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-08-2010
Datum publicatie
14-09-2010
Zaaknummer
09-3014 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag wegens plichtsverzuim bestaande uit sexuele intimidatie. Door een collega tijdens de nachtdienst bij haar heupen te pakken, heeft appellant zich schuldig gemaakt aan plichtsverzuim. Dit plichtverzuim is niet zo ernstig dat dit een redelijke grond oplevert voor de tussentijdse beëindiging van de aanstelling. Vernietiging bestreden besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/3014 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 24 april 2009, 07/482 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Justitie (hierna: minister)

Datum uitspraak: 26 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juli 2010. Appellant is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.M Koene en A.W.J. de Jong, beiden werkzaam bij het ministerie van Justitie.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is op 6 juni 2005 in tijdelijke dienst getreden bij de dienst Vervoer en Ondersteuning in de functie van complexbeveiliger. Met toepassing van artikel 6, tweede lid, onder c, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) is bij besluit van 5 april 2006 de tijdelijke aanstelling van appellant met ingang van 6 juni 2006 verlengd tot 6 juni 2008.

1.2. Op 16 mei 2006 heeft een vrouwelijke collega van appellant, N, melding gemaakt van seksuele intimidatie. Zij heeft aangegeven dat zij tijdens de nachtdienst van 3 mei 2006 tegen haar wil is vastgepakt door appellant.

1.3. Bij besluit van 5 oktober 2006 is met toepassing van artikel 95, tweede lid, van het ARAR aan appellant met ingang van 31 december 2006 tussentijds ontslag verleend.

1.4. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 oktober 2006 is bij beslissing op bezwaar van 22 maart 2007 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daarbij heeft de minister overwogen dat appellant, door N bij haar heupen/billen te pakken, heeft gedaan wat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten en zich hiermee heeft schuldig gemaakt aan plichtsverzuim.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft de aangevallen uitspraak in hoger beroep bestreden. Volgens hem is de rol van N volledig onderbelicht gebleven en is haar gedrag ten onrechte schromelijk gebagatelliseerd. Appellant heeft niet het initiatief genomen om N vast te pakken. N heeft appellant uitgedaagd en uitnodigend gedrag vertoond. Er is dan ook geen sprake van plichtsverzuim.

De minister heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Aan de ambtenaar die in tijdelijke dienst is aangesteld, kan met toepassing van artikel 95, tweede lid, aanhef en onder a, van het ARAR volgens vaste rechtspraak (CRvB 9 november 2006, LJN AZ3052) op elke redelijke grond ontslag worden verleend mits het ontslagverlenend orgaan daarmee niet in strijd komt met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of enig algemeen rechtsbeginsel.

4.2. Gelet op de gedingstukken en hetgeen ter zitting door appellant naar voren is gebracht, acht de Raad het aannemelijk dat appellant N tijdens de nachtdienst van 3 mei 2006 bij haar heupen heeft gepakt. Hierbij wijst de Raad met name op de door appellant zelf opgestelde en ondertekende verklaring van 9 juni 2006, waarin hij - voor zover hier van belang - heeft aangegeven dat hij zijn handen op de heupen/billen van N heeft gelegd. Voorts kan de Raad de rechtbank volgen in het oordeel dat dit vastpakken dient te worden gekwalificeerd als plichtsverzuim.

4.3. De Raad ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of dit plichtverzuim zo ernstig is dat dit een redelijke grond oplevert voor de tussentijdse beëindiging van de aanstelling van appellant. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

4.4. Het door appellant gestelde gedrag van N in de bewuste nacht, bestaande uit onder meer het samen met appellant bekijken van seksueel getinte televisieprogramma’s op televisie en het daarbij maken van opmerkingen over seksspeeltjes, over het seksuele verkeer tussen appellant en zijn echtgenote, over de oudere leeftijd van de laatste, alsmede over seksuele uitspattingen tijdens een personeelsfeest, is door de minister niet weersproken en komt deels ook naar voren uit de verklaring van N zelf. Ter zitting van de Raad is van de zijde van de minister daarenboven nog opgemerkt dat N niet van onbesproken gedrag is. De Raad stelt voorop dat omstandigheden als hier aan de orde geen vrijbrief of rechtvaardiging opleveren voor welke niet gewenste seksueel getinte handeling jegens een collega dan ook. Aan de conclusie dat sprake is van plichtsverzuim doet het voorgaande op zichzelf beschouwd dan ook niet af: de Raad is met de minister van oordeel dat appellant zich, nu N volgens haar verklaring niet van zijn gedrag was gediend, had moeten beheersen. Het plichtsverzuim waaraan appellant zich heeft schuldig gemaakt, acht de Raad in het licht van de omstandigheden echter niet van zodanige aard en omvang dat daarin een redelijke grond is gelegen voor de beëindiging van de aanstelling. De Raad neemt daarbij ook in aanmerking dat de gebeurtenissen in de bewuste nacht van 3 mei 2006 voor N geen aanleiding hebben gevormd tot het doen van aangifte bij de politie, noch tot het indienen van een klacht bij de daarvoor door de minister ingestelde commissie. De Raad tekent ook aan dat de oorspronkelijk aan de beëindiging van het dienstverband ten grondslag gelegde beschuldiging van het aanraken van het geslachtsdeel van N, al in de bezwaarfase door de minister is ingetrokken. Het door de minister bij het bestreden besluit nog aangenomen plichtsverzuim beperkt zich tot dat, vermeld onder 1.4.

4.5. Op grond van het voorgaande komt de Raad tot de conclusie dat rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de tussentijdse beëindiging van het dienstverband van appellant wordt gerechtvaardigd door het plichtsverzuim waaraan hij zich heeft schuldig gemaakt.

4.6. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het bestreden besluit vernietigen. De Raad ziet tevens reden het primaire besluit van 5 oktober 2006 te herroepen.

5. Appellant heeft verzocht om vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar. Nu de Raad het besluit van 5 oktober 2006 herroept wegens aan de minister te wijten onrechtmatigheid is er aanleiding de minister op grond van artikel 7:15 in verbinding met artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de kosten van appellant in bezwaar. Deze kosten worden begroot op € 644,- aan kosten van rechtsbijstand. Ook vindt de Raad aanleiding de minister op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 1.449,- aan kosten van rechtsbijstand. Tevens komen ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking de reiskosten van appellant. Deze worden begroot op € 26,40.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Herroept het besluit van 5 oktober 2006;

Veroordeelt de minister in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.119,40;

Bepaalt dat de minister aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 359,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en B.J. van de Griend als ledenin tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2010.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) K. Moaddine.

HD