Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN6370

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-08-2010
Datum publicatie
09-09-2010
Zaaknummer
08-3632 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZLY:2008:BD3363
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag voor een langdurigheidstoeslag. Betrokkene heeft zelf te kennen gegeven niet meer te kunnen werken en dat haar WW-uitkering € 558,11 netto per vier weken bedroeg. Daarmee staat vast dat betrokkene in de in artikel 36, eerste lid, onder a, van de WWB genoemde periode van 60 maanden inkomsten in verband met arbeid heeft genoten die het grensbedrag ruim te boven gaan. Nu daarmee tevens vaststaat dat deze inkomsten niet van ‘zeer geringe hoogte’ waren, voldeed betrokkene niet aan de in artikel 36, eerste lid, onder b, van de WWB neergelegde voorwaarde voor het verlenen van een langdurigheidstoeslag. Geen sprake is van een verboden onderscheid in de zin van artikel 26 van het IVBPR.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/3632 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 30 mei 2008, 07/646 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

appellant

Datum uitspraak: 24 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. M. Tempelman, sociaal raadsvrouw te Almere, een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2010. Appellant heeft zich - met voorafgaand bericht - niet laten vertegenwoordigen. Voor betrokkene is mr. Tempelman verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene heeft op 20 december 2006 een aanvraag ingediend voor een langdurigheidstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de Wet werk en bijstand (WWB) over het jaar 2006. Bij besluit van 19 januari 2007 heeft appellant deze aanvraag afgewezen op de grond dat betrokkene voorafgaand aan de aanvraag gerekend over een periode van

60 maanden meer dan € 4.152,-- aan inkomsten uit of in verband met arbeid heeft ontvangen.

1.2. Bij besluit van 6 maart 2007 heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 19 januari 2007 ongegrond verklaard. Hieraan heeft appellant ten grondslag gelegd dat betrokkene inkomsten in verband met arbeid op grond van de Werkloosheidswet (WW) heeft ontvangen en dat er hierbij geen sprake is van verlies van arbeidsmarktperspectief.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten, het beroep tegen het besluit van 6 maart 2007 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd, op de grond dat appellant de hoorplicht als bedoeld in artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht heeft geschonden. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 6 maart 2007 in stand te laten en heeft in de overwegingen tot uitdrukking gebracht dat appellant een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van haar uitspraak. Daartoe is, kort samengevat, overwogen dat de afwijzing van de langdurigheidstoeslag op de grond dat betrokkene in de referteperiode een WW-uitkering heeft genoten niet in overeenstemming is met het beleid dat appellant voert ten aanzien van artikel 36, eerste lid, onder b, van de WWB. Als beleid geldt, zo heeft de rechtbank begrepen, het gehele door appellant overgelegde hoofdstuk 8 van Schulinck Handboek Wet Werk en Bijstand (hierna: Schulinck) en niet alleen hetgeen in het in dat hoofdstuk opgenomen kader als specifiek gemeentelijk beleid is opgenomen. Voorts heeft de rechtbank opgemerkt dat niet valt in te zien waarom een bijstandsgerechtigde die in de referteperiode inkomsten uit arbeid heeft gehad tot het in bedoeld kader vermelde bedrag van € 4.152,-- geen arbeidsmarktperspectief heeft, en iemand die niet werkt, maar wel enige tijd WW-uitkering heeft genoten per definitie wel en dat indien appellant meent dat in een concrete situatie waarin in de referteperiode een WW-uitkering is ontvangen wel sprake is van arbeidsmarktperspectief, hij dit gemotiveerd dient te onderbouwen.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voor zover appellant daarbij is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en voor zover de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit niet in stand zijn gelaten. Ten aanzien van dit laatste heeft betrokkene gemotiveerd verweer gevoerd.

4. Met betrekking tot de ten laste van appellant uitgesproken proceskostenveroordeling komt de Raad tot de volgende beoordeling.

4.1. De door de rechtbank uitgesproken veroordeling tot vergoeding van proceskosten ziet uitsluitend op de kosten van de door mr. M. Tempelman in beroep verleende rechtsbijstand. Uit de uitspraak van de Raad van 19 augustus 2008 (LJN BE8918) volgt echter dat bij verlening van rechtsbijstand door sociaal raadslieden te Almere geen grond bestaat voor een veroordeling tot vergoeding van proceskosten, aangezien niet is gebleken dat de betrokkene kosten maakt voor door een derde beroepsmatig verleende bijstand. De Raad ziet geen aanleiding om daarover thans anders te oordelen.

5. Met betrekking tot het niet in stand laten van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 6 maart 2007 komt de Raad tot de volgende beoordeling.

5.1. Ingevolge artikel 36, eerste lid, onder a en b, van de WWB, zoals deze bepaling luidde ten tijde hier van belang, verleent het college op aanvraag een langdurigheidstoeslag aan een persoon van 23 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar die:

a. gedurende een ononderbroken periode van 60 maanden een inkomen heeft dat niet hoger is dan de bijstandsnorm en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft;

b. gedurende de in onderdeel a bedoelde periode geen inkomsten uit of in verband met arbeid heeft ontvangen of ten aanzien van wie het college van oordeel is dat, gelet op de zeer geringe hoogte van de inkomsten uit of in verband met arbeid in die periode en de zeer geringe duur van deze arbeid, in redelijkheid niet gesproken kan worden van een feitelijke aanwezigheid van arbeidsmarktperspectief.

5.2. In antwoord op door de rechtbank gestelde vragen over het beleid dat appellant hanteert ten aanzien van de in artikel 36, eerste lid, onder b, van de WWB neergelegde voorwaarde voor het verlenen van een langdurigheidstoeslag heeft appellant hoofdstuk 8 van Schulinck aan de rechtbank toegezonden. In paragraaf 2.2 van dit hoofdstuk wordt ingegaan op deze voorwaarde (tekst vanaf 1 januari 2006). In dat kader wordt onder meer uiteengezet wat - volgens Schulinck - de reikwijdte is van de uitspraak van de Raad van 4 juli 2006 (LJN AY0173), waarbij de Raad heeft geoordeeld dat artikel 36, eerste lid, onder b, van de WWB (tekst tot 1 januari 2006) in dat geval wegens strijd met artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) buiten toepassing dient te worden gelaten. In een kader aan het eind van paragraaf 2.2 wordt vervolgens een richtlijn (B158) aangegeven voor het gemeentelijk beleid ten aanzien van bedoelde voorwaarde, luidende: “Er is sprake van geringe inkomsten gedurende een geringe periode, waarbij nog geen sprake is van arbeidsmarktperspectief, als er gedurende de referteperiode (5 jaar) een inkomen uit arbeid is genoten dat niet hoger is dan netto 4152 euro. Wanneer het inkomen uit arbeid hoger uitkomt dan bovenstaand bedrag is er geen recht op de langdurigheidstoeslag”.

5.3. Niet kan worden ontkend dat, zoals betrokkene heeft gesteld, appellant verwarring heeft gezaaid over zijn eigen beleid ten aanzien van de in artikel 36, eerste lid, onder b, van de WWB neergelegde voorwaarde voor het verlenen van een langdurigheidstoeslag. Gelet echter op de inhoud van paragraaf 2.2 van hoofdstuk 8 van Schulinck en de wijze waarop daarin de richtlijn voor het gemeentelijk beleid ten aanzien van die voorwaarde is gepresenteerd, zoals door appellant nader toegelicht, ziet de Raad, anders dan de rechtbank, geen reden om aan te nemen dat het beleid van appellant meer zou omvatten dan wat er is opgenomen in het kader aan het eind van die paragraaf.

5.4. Weliswaar betreft het in dat kader vermelde bedrag van € 4.152,-- (netto) volgens de letterlijke tekst uitsluitend genoten inkomsten uit arbeid, maar de Raad ziet niet in, gelet ook op het primaire besluit, dat voor de vraag of er sprake is van zeer geringe inkomsten in verband met arbeid, waarbij wordt aangenomen dat nog niet gesproken kan worden van een feitelijke aanwezigheid van arbeidsmarktperspectief, van een ander grensbedrag zou moeten worden uitgegaan. De Raad is van oordeel dat daarmee, wat betreft genoten inkomsten in verband met arbeid bestaande uit een WW-uitkering, niet wordt getreden buiten de grenzen van de wet en van een redelijke beleidsbepaling.

5.5. Uit de beschikbare gegevens blijkt dat betrokkene in de periode van 10 september 2001 tot en met 11 mei 2003 een WW-uitkering heeft genoten, dat deze uitkering is beëindigd omdat betrokkene zelf te kennen had gegeven niet meer te kunnen werken en dat haar WW-uitkering aan het eind van die periode € 558,11 netto per vier weken bedroeg. Daarmee staat vast dat betrokkene in de in artikel 36, eerste lid, onder a, van de WWB genoemde periode van 60 maanden inkomsten in verband met arbeid heeft genoten die het onder 5.4 genoemde bedrag ruim te boven gaan. Nu daarmee tevens vaststaat dat deze inkomsten niet van ‘zeer geringe hoogte’ waren, voldeed betrokkene niet aan de in artikel 36, eerste lid, onder b, van de WWB neergelegde voorwaarde voor het verlenen van een langdurigheidstoeslag.

5.6. De vergelijking die de rechtbank en betrokkene hebben gemaakt tussen het geval van betrokkene en dat van een bijstandsgerechtigde die inkomsten uit arbeid heeft genoten tot een bedrag van € 4.152,-- gaat reeds daarom niet op, omdat betrokkene inkomsten in verband met arbeid heeft genoten die ruim boven dat bedrag uitkwamen. Dit betekent dat, anders dan betrokkene in haar verweerschrift heeft betoogd, geen sprake is van een verboden onderscheid in de zin van artikel 26 van het IVBPR.

6. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 5.6 volgt dat de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ten onrechte een proceskostenveroordeling ten laste van appellant heeft uitgesproken en ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 6 maart 2007 niet in stand heeft gelaten. Dit betekent dat het hoger beroep op beide onderdelen slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 6 maart 2007 in stand blijven.

7. Voor een veroordeling in de proceskosten in hoger beroep ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 6 maart 2007 in stand blijven.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en R. Kooper en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2010.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) R. Scheffer.

RB