Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN6262

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-08-2010
Datum publicatie
09-09-2010
Zaaknummer
09-4651 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op bijstand tijdens detentie. Geen (zeer) dringende redenen. Besluit ziet niet op WSW-indicatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/4651 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 6 juli 2009, 08/4856 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal (hierna: College)

Datum uitspraak: 24 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.J.M. Boot, advocaat te Steenbergen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 13 juli 2010. Appellant is niet verschenen en het College heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Op 30 januari 2008 heeft appellant bijstand aangevraagd ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Appellant heeft vanaf 19 februari 2008 tot 7 maart 2008 in detentie verbleven.

1.2. Bij besluit van 28 februari 2008 heeft het College aan appellant een bijstandsuitkering op grond van de WWB toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Deze uitkering wordt appellant over de periode van 1 december 2007 tot 18 februari 2008 verleend. De beëindiging per 18 februari 2008 houdt verband met verblijf van appellant in detentie met ingang van 19 februari 2008.

1.3. Bij besluit van 29 augustus 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 28 februari 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 29 augustus 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB heeft geen recht op bijstand degene aan wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen.

4.2. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de WWB kan het College aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van paragraaf 2.2, bijstand verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken. Uit de wetsgeschiedenis komt naar voren dat het College eerst dan bevoegd is met toepassing van artikel 16, eerste lid, van de WWB bijstand te verlenen indien in concreto vaststaat dat sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen.

4.3. De Raad volgt het oordeel van de rechtbank dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant in verband met zijn detentie vanaf 19 februari 2008 niet meer in aanmerking kwam voor algemene bijstand. Daarbij merkt de Raad nog op dat de reden van detentie hieraan niet afdoet nu hoe dan ook in de noodzakelijke kosten van het bestaan van appellant gedurende de periode van detentie wordt voorzien door het ministerie van Justitie.

4.4. Voorts ziet de Raad in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB. De omstandigheid dat appellant als gevolg van zijn detentie onvoldoende middelen heeft om de vaste lasten, waaronder met name de huur van zijn woning te blijven betalen en daardoor het risico loopt dat de verhuurder de huurovereenkomst laat ontbinden en de woning moet worden ontruimd, kan niet als zodanig worden aangemerkt.

4.5. Appellant heeft nog aangevoerd dat de rechtbank het beroep tegen het besluit van 29 augustus 2008 gegrond had moeten verklaren, nu namens het College ter zitting van de rechtbank is meegedeeld dat inmiddels is onderkend dat appellant een WSW-indicatie heeft. In zoverre is volgens appellant aan zijn bezwaar tegemoet gekomen. De Raad volgt appellant hierin niet, reeds omdat het bezwaar van appellant was gericht tegen het feit dat in het besluit van 28 februari 2008 niet tot uitdrukking is gebracht dat hij na zijn detentie zijn werk bij het Werkvoorzieningschap kan hervatten, terwijl dat besluit uitsluitend ziet op de verlening van bijstand over de periode vóór die detentieperiode.

4.6. Het hoger beroep van appellant slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2010.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) C. de Blaeij.

AV