Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN6258

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-08-2010
Datum publicatie
09-09-2010
Zaaknummer
09-764 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand en terugvordering voorschotten. Niet woonachtig op opgegeven adres. Onduidelijke woonsituatie. Appellant is verplicht om juiste en volledige informatie over het woonadres te geven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/764 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage van 18 december 2008, 08/2938 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente 's Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 24 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.J.A. Bosch, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juni 2010. Appellant is verschenen met bijstand van mr. Bosch. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A. Boogaards, werkzaam bij de gemeente 's Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft zich op 3 augustus 2007 gemeld voor het indienen van een aanvraag om algemene bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Naar aanleiding van deze aanvraag zijn hem voorschotten verstrekt. Voorts heeft appellant op 15 augustus 2007, 14 september 2007 en 25 september 2007 aanvragen ingediend om bijzondere bijstand voor eigen bijdrage advocaat, uittreksels, behandeling door fysiotherapeut en kosten van informatie Kamer van Koophandel.

1.2. Bij vijf afzonderlijke besluiten van 26 oktober 2007 heeft het College deze aanvragen afgewezen en de verstrekte voorschotten tot een bedrag van € 600, van appellant teruggevorderd.

1.3. Bij besluit van 10 maart 2008 heeft het College de hiertegen gerichte bezwaren van appellant ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het College heeft aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellant onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft omtrent zijn woonsituatie, als gevolg waarvan zijn recht op bijstand niet is vast te stellen. Het geschil in hoger beroep spitst zich hierop toe.

4.2. Appellant heeft aangevoerd dat geen wettelijk voorschrift is aan te wijzen op grond waarvan hij verplicht was gegevens omtrent zijn woon of verblijfsadressen te verstrekken. Dit betoog treft geen doel. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB voor zover hier van belang rust op de belanghebbende de verplichting om aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten of omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Zoals de Raad reeds vele malen heeft uitgesproken, strekt deze verplichting zich mede uit tot het verstrekken van juiste en volledige informatie over het woonadres, aangezien dit gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand. Dit laatste volgt reeds uit artikel 40, eerste lid, van de WWB, op grond waarvan het recht op bijstand bestaat jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft. Het volgt bijvoorbeeld ook uit artikel 11, eerste lid, van de WWB, aangezien inzicht in de woon en leefsituatie van de belanghebbende noodzakelijk is voor de vaststelling van bijstandsbehoevendheid als in deze bepaling bedoeld. Appellant kan dan ook niet staande houden dat de hier aan de orde zijnde verplichting een wettelijke grondslag ontbeert.

4.3. Appellant heeft opgegeven woonachtig te zijn aan [adres a] te [woonplaats]. Hij erkent dat hij door de huisbaas vanaf begin oktober 2007 niet meer tot deze woning is toegelaten, omdat er te vaak problemen waren met deurwaarders die achter hem aan zaten. Dat appellant desgevraagd niet bereid was de namen en adressen te verstrekken van degenen bij wie hij sedertdien heeft verbleven, komt voor zijn eigen risico. De op zichzelf aannemelijke verwachting van appellant dat het College zich dan tot die personen zou wenden om een en ander te verifiëren, kan deze weigering niet rechtvaardigen.

4.4. Wat betreft de periode voorafgaande aan de door appellant erkende "huisuitzetting", heeft het College doorslaggevende betekenis mogen toekennen aan de verklaring van de huisbaas tijdens het huisbezoek op 19 oktober 2007. Deze verklaring komt er in het kort op neer dat appellant nog nooit in de woning had geslapen, dat dit ook niet mocht, dat hij het adres alleen als postadres mocht gebruiken en dat hij daarvoor (slechts) € 100, betaalde. Of de betrokken ambtenaren de identiteit van de huisbaas correct hebben vastgesteld kan in het midden blijven, nu appellant ter zitting uitdrukkelijk heeft bevestigd dat de persoon die zich bij het huisbezoek als de huisbaas presenteerde inderdaad degene was die hij kende als de eigenaar van de woning en met wie hij het kamerhuurcontract had gesloten. Dat appellant naar zijn zeggen geen postadres nodig had omdat hij over een postbus beschikte, acht de Raad evenmin van belang, reeds omdat met de aanduiding "postadres" mede werd gedoeld op een adres waar appellant zich formeel in de gemeentelijke basisadministratie (GBA) kon laten inschrijven. De situatie in de woning ten tijde van het huisbezoek is in dit geval weinig relevant, gegeven de erkenning van appellant dat hij daar toen niet meer woonde. Tekenen van bewoning door appellant zijn in ieder geval niet aangetroffen. Ook voor de hier aan de orde zijnde periode geldt dat appellant heeft geweigerd aan te geven waar hij wèl woonde of verbleef en dat die weigering voor zijn eigen rekening moet worden gelaten.

4.5. Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat het hoger beroep faalt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en R. Kooper en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2010.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) J. de Jong.

JvS