Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN6113

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-08-2010
Datum publicatie
09-09-2010
Zaaknummer
09/5338 CSV
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BT8715
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Correctienota's terecht opgelegd. Verzekeringsplicht. Privaatrechtelijke dienstbetrekking. Gezagsverhouding. De intentie inzake de arbeidsrelatie is niet doorslaggevend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/5338 CSV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 17 augustus 2009, 08/7045 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

[Betrokkene], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: betrokkene),

en

appellant

Datum uitspraak: 19 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft [naam directeur], als directeur werkzaam bij betrokkene, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juli 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. Segers, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Voor betrokkene zijn verschenen [naam directeur], voornoemd, en [medwerker].

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de wettelijke bepalingen zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Voor een overzicht van de in dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat met het volgende.

2.1. Op 20 april 2006 is bij betrokkene vanwege het Uwv door de Belastingdienst Holland-Noord, kantoor Zaandam, een looncontrole uitgevoerd betreffende de jaren 2001 tot en met 2005. Naar aanleiding daarvan zijn aan betrokkene over de jaren 2003 en 2004 correctienota’s opgelegd, waarbij premies zijn nageheven over de door betrokkene aan [P.], handelend onder de naam ‘[naam B.V.]’, in die jaren gedane betalingen. Tevens zijn over genoemde jaren boetes opgelegd.

2.2. Bij besluit van 1 oktober 2008 heeft het Uwv de bezwaren tegen de opgelegde nota’s ongegrond verklaard. Aan dat besluit is ten grondslag gelegd, voor zover hier van belang, dat [P.] in de onderhavige arbeidsverhouding bij betrokkene werkzaam is geweest op basis van een privaatrechtelijke dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen over de vergoeding van proceskosten en griffierecht - het tegen het besluit van 1 oktober 2008 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de correctie- en boetenota’s herroepen. De rechtbank heeft daarbij geoordeeld dat [P.] niet in een gezagsverhouding tot betrokkene staat, maar dat sprake is van gelijkwaardigheid in de uitoefening van zijn werkzaamheden.

4. Appellant heeft de uitspraak van de rechtbank dat geen sprake is van een gezagsverhouding gemotiveerd bestreden.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Tussen appellant en betrokkene is in geschil of [P.] zijn werkzaamheden in de jaren 2003 en 2004 onder gezag van betrokkene heeft verricht.

5.2. De Raad is met appellant en anders dan de rechtbank van oordeel dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. Daarbij acht de Raad de volgende, uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting naar voren gekomen feiten en omstandigheden van belang.

5.3. De bedrijfsactiviteiten van betrokkene zijn gericht op het inrichten, verzorgen en controleren van boekhouding en administratie, het opstellen van jaarrekeningen, het verzorgen van belastingaangiftes en verstrekken van belastingadviezen, bedrijfsbegeleiding en adviezen aan opdrachtgevers. De werknemers in dienst van betrokkene houden zich bezig met het verwerken/controleren van administraties, BTW aangiftes en controle van (belasting)aangiftes. Het door [P.] te leveren aandeel, te weten het opmaken van jaarrekeningen, kan niet worden overgenomen door één van de vaste werknemers van betrokkene aangezien zij niet over de daartoe benodigde expertise beschikken. Daarnaast verricht [P.] ook de andere werkzaamheden en wordt hij daarvoor met name door betrokkene ingeschakeld bij capaciteitsproblemen. [P.] verricht deze werkzaamheden op kantoor van betrokkene van 10.00 tot 15.00 uur, zoals verklaard ter zitting van de rechtbank, en daarna bij hem thuis en maakte daarbij tevens gebruik van het resultaat van de werkzaamheden van de werknemers van betrokkene. Overleg met cliënten vindt op kantoor van betrokkene plaats en [P.] maakt voor zijn werkzaamheden bij de Belastingdienst gebruik van het beconnummer van betrokkene, zoals ter zitting van de Raad door [de directeur] desgevraagd is verklaard.

5.4. Uit de onder 5.3 genoemde feiten komt het beeld naar voren dat [P.] een belangrijk aandeel levert in het totaalproduct dat betrokkene in een pakket aan haar cliënten aanbiedt en als zodanig gaat [P.] in vergaande mate op in betrokkenes organisatie en werkzaamheden. Gelet op het commerciële belang bij een correcte uitvoering van de werkzaamheden en gelet op haar eindverantwoordelijkheid jegens haar cliënten, is het voor betrokkene dan ook van wezenlijk belang dat de werkzaamheden van [P.] niet zomaar en zonder haar medeweten worden onderbroken. Daarnaast is er, gelet op het aantal door [P.] gefactureerde uren, ruim 100 per maand ten tijde in geding, sprake van een structureel karakter van de werkzaamheden van [P.] ten behoeve van betrokkenes cliënten. Gezien deze feiten en omstandigheden is de Raad van oordeel dat betrokkene tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden werkgeversgezag over [P.] kan uitoefenen. Bovendien geeft ook de omstandigheid dat de door [P.] gedeclareerde uren worden gecontroleerd met het oog op de facturering aan de cliënten al aan dat betrokkene wel degelijk controle uitvoerde. Gelet op het bovenstaande doet naar het oordeel van de Raad aan het bestaan van een gezagsrelatie voorts geen afbreuk dat [P.] zijn vak verstaat en in staat is zijn werk zelfstandig te verrichten. Bezien in het licht van bovenstaande kan ten slotte de intentie van betrokkene en [P.] inzake hun arbeidsrelatie daarbij niet doorslaggevend zijn.

5.5. Het onder 5.4. gegeven oordeel brengt mee dat het hoger beroep slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Nu in beroep geen afzonderlijke grieven zijn aangevoerd tegen de correctie- en boetenota’s zal de Raad, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep ongegrond verklaren.

6. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 1 oktober 2008 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en J.F. Bandringa en B.J. van der Net als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2010.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) C. de Blaeij.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van het begrip loon in de artikelen 4 tot en met 8 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.

JvS