Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN6103

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-08-2010
Datum publicatie
09-09-2010
Zaaknummer
09-5989 WWB + 10-1712 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar. Het tot betrokkene gerichte besluit is aan hem toegezonden op het adres waar hij ingeschreven stond. Daarmee is het besluit aan hem bekendgemaakt. Dit wordt niet anders door de omstandigheid dat dit besluit is vervat in een document dat ook een besluit bevat dat gericht is tot de moeder. Betrokkene en de moeder waren immers op het moment van toezending gehuwd en ingeschreven op hetzelfde adres. Gegeven de rechtsgeldige bekendmaking aan appellant, is sprake van een overschrijding van de wettelijke termijn voor het maken van bezwaar. Van feiten of omstandigheden die deze overschrijding rechtvaardigen is (ook overigens) niet gebleken. Vernietiging uitspraak. Beroep ongegrond. Vernietiging besluit.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:5
Algemene wet bestuursrecht 6:11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2010/337
JWWB 2010/210
BA 2010/256
BA 2010/241

Uitspraak

09/5989 WWB

10/1712 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 oktober 2009, 09/2565 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 24 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. L.J.G. Voorn, advocaat te Amsterdam een verweerschrift en nog enkele stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in het geding met reg.nr. 09/6642, plaatsgevonden op

1 juni 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. A.A. Brouwer, werkzaam bij de gemeente Amsterdam. Betrokkene is vertegenwoordigd door mr. Voorn. Op verzoek van betrokkene heeft de Raad ter zitting de heren

[naam getuige 1] en [naam getuige 2], beiden wonende te [plaatsnaam], als getuigen gehoord. Na sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene en [de moeder] hebben samen twee kinderen, geboren in 1990 en 1993. De moeder staat sinds 1993 ingeschreven op het [adres] te [plaatsnaam]. Betrokkene staat sinds 18 maart 2008 ook op dat adres ingeschreven. Betrokkene en de moeder zijn sinds 20 april 2008 met elkaar gehuwd.

1.2. Bij besluit van 5 november 2008 heeft appellant de bijstand van de moeder over de periode van 31 januari 2007 tot en met 21 oktober 2007 herzien (lees: ingetrokken) en de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 8.613,72 van haar teruggevorderd op de grond dat de moeder en betrokkene in die periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en dat de moeder heeft nagelaten hiervan mededeling te doen aan appellant. Bij datzelfde besluit zijn de kosten van bijstand mede van betrokkene teruggevorderd. Dit besluit is aan de moeder en betrokkene gezamenlijk geadresseerd en verzonden naar het adres waarop zij ingeschreven stonden.

1.3. Namens de moeder heeft mr. G.J.J. van den Boogert, advocaat te Amsterdam, bezwaar gemaakt tegen het besluit van

5 november 2008. Bij besluit van 19 februari 2009, gericht aan de moeder en verzonden naar het adres van mr. Van den Boogert, heeft appellant het bezwaar van de moeder tegen het besluit van 5 november 2008 ongegrond verklaard.

1.4. Bij brief van 16 april 2009 heeft mr. Voorn het Uitvoeringsinstituut werknemers- verzekeringen (hierna: UWV) verzocht om een kopie van de titel van het op de uitkering van betrokkene gelegde executoriale beslag. Bij brief van 20 april 2009 heeft het UWV mr. Voorn het besluit van 5 november 2008 toegezonden.

1.5. Namens betrokkene heeft mr. Voorn bij brief van 29 april 2009 bezwaar gemaakt tegen het besluit van

5 november 2008.

1.6. Bij besluit van 15 mei 2009 heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 5 november 2008 wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het besluit van 15 mei 2009 met een bepaling omtrent proceskosten en griffierecht gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit neemt op bezwaar binnen zes weken.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant bij besluit van 9 december 2009 het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 5 november 2008 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 17 maart 2010 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard ten aanzien van het beroep van betrokkene tegen het besluit van 9 december 2009. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat dat besluit eveneens onderdeel uitmaakt van het onderhavige hoger beroep. Zij heeft met toepassing van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat besluit en het daartegen gerichte beroep doorgezonden aan de Raad.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor de tekst van de verder relevante bepalingen verwijst naar de aangevallen uitspraak en de uitspraak van 17 maart 2010.

5.1. Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschiedt bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door toezending of uitreiking aan hen.

5.2. In de aangevallen uitspraak is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het onderhavige geval veel gelijkenissen vertoont met de feiten waarover de Raad in zijn uitspraak van 28 juli 2009, LJN BJ5586 heeft geoordeeld. De rechtbank heeft, mede gelet op de hoofdelijke aansprakelijkheidsstelling van betrokkene, aanleiding gezien om aan te knopen bij deze uitspraak en te oordelen dat appellant het besluit van 5 november 2008 ook afzonderlijk aan betrokkene bekend had moeten maken. Daarom is het bezwaar van betrokkene volgens de rechtbank niet te laat ingediend.

5.3. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank niet. Het tot betrokkene gerichte besluit is aan hem toegezonden op het adres waar hij ingeschreven stond. Daarmee is het besluit aan hem bekendgemaakt. Dit wordt niet anders door de omstandigheid dat dit besluit is vervat in een document dat ook een besluit bevat dat gericht is tot de moeder. Betrokkene en de moeder waren immers op het moment van toezending gehuwd en ingeschreven op hetzelfde adres, terwijl de besluiten berusten op dezelfde, hen beiden gelijkelijk betreffende feitelijke grondslag. Indien in een dergelijke geval een echtgenoot geen kennisneemt van dit document en daarmee van zijn besluit, of die kennis hem wordt onthouden door de andere echtgenoot, dan dient dat voor zijn rekening te komen op gelijke wijze als de geadresseerde die zijn postbehandeling anderszins niet betrouwbaar heeft geregeld. In de door de rechtbank aangehaalde uitspraak ging het echter niet om gehuwden, werd het terugvorderingsbesluit toegezonden aan de bijstandsgerechtigde en werd de daar door het college gestelde gezamenlijke huishouding door de niet-bijstandsgerechtigde betwist. Deze laatste hoefde er niet alert op te zijn of de aan de ander geadresseerde post ook aan hem gericht was, mede omdat hij, anders dan in dit geval, in het geheel niet gehoord was in de kwestie. Er zijn dus tussen het in die uitspraak beoordeelde geval en het onderhavige aanmerkelijke verschillen, die een andere uitkomst rechtvaardigen.

5.4. Gegeven de rechtsgeldige bekendmaking aan appellant, is sprake van een overschrijding van de wettelijke termijn voor het maken van bezwaar. Van feiten of omstandigheden die deze overschrijding rechtvaardigen is (ook overigens) niet gebleken.

5.5. Dit voert tot de conclusie dat appellant het bezwaar van betrokkene van 29 april 2009 tegen het besluit van

5 november 2008 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak komt daarom voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep ongegrond verklaren.

5.6. Nu daaraan door vernietiging van de aangevallen uitspraak de grondslag is komen te ontvallen, dient ook het besluit van 9 december 2009, dat ter uitvoering van die uitspraak werd genomen, te worden vernietigd.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond;

Vernietigt het besluit van 9 december 2009.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en R. Kooper en O.L.H.W.I. Korte als leden in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2010.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) J. de Jong.

JvS