Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN6084

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-08-2010
Datum publicatie
09-09-2010
Zaaknummer
08-5418 WWB + 09-1624 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging van de bijstand. Appellant heeft geen gebruik gemaakt van een hem door het College aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling en dat van deze gedragingen niet kan worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Sprake van recidive.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2010/324
JWWB 2010/209

Uitspraak

08/5418 WWB

09/1624 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 18 augustus 2008, 07/3674 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en van 13 maart 2009, 08/2291 (hierna: aangevallen uitspraak 2),

in de gedingen tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Krimpen aan den IJssel (hierna: College)

Datum uitspraak: 17 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. den Arend-de Winter, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft verweerschriften ingediend en desgevraagd nadere stukken aan de Raad gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2010. Voor appellant is verschenen mr. Den Arend-de Winter. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door A.B.E. Donkers en M.C.T. ter Haar, beiden werkzaam bij de gemeente Krimpen aan den IJssel.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving sedert 7 september 2001 bijstand, aanvankelijk op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) en vanaf 1 januari 2004 op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Op 24 maart 2004 heeft re-integratiebedrijf Argonaut zowel een medische als een arbeidskundige rapportage aan het College uitgebracht inhoudende dat appellant als arbeidsgehandicapte in de zin van de - inmiddels ingetrokken - Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten dient te worden aangemerkt. Daarbij is aangegeven dat appellant op rugsparende arbeid, voornamelijk zittende werkzaamheden, is aangewezen. Op basis daarvan heeft het College bij besluit van 9 juni 2004 geweigerd appellant vrijstelling te verlenen van de in artikel 113, eerste lid, van de Abw vervatte verplichtingen gericht op de inschakeling in de arbeid. Naar aanleiding van het bezwaar van appellant heeft de GGD Rotterdam en omstreken (GGD) appellant opnieuw medisch beoordeeld. Daarbij zijn aanvullende medische gegevens opgevraagd bij de behandelend vaatchirurg. In het rapport van 19 november 2004 komt de adviserend geneeskundige van de GGD A. Knegt tot de conclusie dat zij zich grotendeel kan vinden in het door Argonaut opgestelde belastbaarheidspatroon, waarbij enige bijstelling wordt geadviseerd, ten aanzien van de nekbeperking en het reiken. Vervolgens heeft het College bij besluit van 3 maart 2005 het bezwaar van appellant tegen het besluit van 9 juni 2004 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 1 november 2005, 05/1556, heeft de rechtbank Rotterdam het beroep tegen het besluit van 3 maart 2005 ongegrond verklaard. De Raad heeft bij uitspraak van 31 oktober 2006, 05/7017, de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

1.3. Vervolgens is appellant in verband met een heronderzoek inzake de sollicitatieplicht opgeroepen voor een gesprek op 14 november 2006. Bij deze oproep is hem meegedeeld dat met hem zal worden gesproken over het starten van een re-integratietraject. Tijdens het gesprek op 14 november 2006 heeft appellant te kennen gegeven dat zijn medische situatie is verslechterd en dat hij opnieuw gekeurd wenst te worden. Het College heeft appellant aangemeld voor een leerwerkstage bij re-integratiebedrijf Promen.

Op 19 december 2006 heeft appellant een gesprek bij Promen gehad. Appellant heeft bij Promen te kennen gegeven dat hij niet aan de leerwerkstage wil meewerken voordat een medische keuring heeft plaatsgevonden. Verder heeft hij geweigerd de plaatsings-overeenkomst bij Promen te ondertekenen en is hij niet met zijn werkzaamheden gestart.

1.4. Bij besluit van 11 januari 2007 (hierna: besluit 1) heeft het College met toepassing van artikel 18, tweede lid, van de WWB de bijstand van appellant met ingang van 1 januari 2007 verlaagd met 50% gedurende een maand. Daaraan heeft het College ten grondslag gelegd dat appellant niet of onvoldoende gebruik maakt van een door het College aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Bij dat besluit is appellant verder de verplichting opgelegd zich voor 1 februari 2007 bij Promen te melden om alsnog met het re-integratietraject te starten.

1.5. Op 7 februari 2007 heeft appellant opnieuw een gesprek bij Promen gehad. Tijdens dit gesprek heeft hij te kennen gegeven niet te kunnen werken. Bij brief van 8 februari 2007 heeft appellant aangegeven niet arbeidsgeschikt te zijn en geen aangepaste werkzaamheden bij Promen te kunnen verrichten. Tijdens een telefonisch contact op

12 februari 2007 heeft appellant tegenover een medewerkster van Promen aangegeven dat hij geen contracten van Promen zal ondertekenen en heeft hij herhaald dat hij zich arbeidsongeschikt acht.

1.6. Bij besluit van 16 maart 2007 (hierna: besluit 2) heeft het College met toepassing van artikel 18, tweede lid, van de WWB de bijstand van appellant met ingang van 1 maart 2007 verlaagd met 50% gedurende twee maanden op de grond dat appellant niet of onvoldoende gebruik maakt van een door het College aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Het College heeft daarbij overwogen dat de duur van de maatregel met toepassing van artikel 9, tweede lid, van de Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand Krimpen aan den IJssel 2005 (hierna: Afstemmingverordening) is verdubbeld, omdat appellant zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van het besluit 1 opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of hogere categorie. Bij besluit 2 is appellant voorts de verplichting opgelegd zich voor 1 april 2007 bij Promen te melden om alsnog te starten met zijn re-integratietraject.

1.7. Appellant heeft zich niet voor 1 april 2007 bij Promen gemeld. Op 9 mei 2007 heeft appellant telefonisch tegenover een medewerker van de gemeentelijke sociale dienst verklaard niet te gaan starten met het re-integratietraject bij Promen, omdat hij zich hiertoe niet in staat acht.

1.8. Bij besluit van 1 juni 2007 (hierna: besluit 3) heeft het College met toepassing van artikel 18, tweede lid, van de WWB de bijstand van appellant met ingang van 1 mei 2007 verlaagd met 100% gedurende twee maanden op de grond dat appellant niet of onvoldoende gebruik maakt van een door het College aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Het College heeft daarbij overwogen dat sprake is van recidive in de zin van artikel 9, tweede lid, van de Afstemmingsverordening en dat daarom de maatregel met toepassing van die bepaling in omvang is verdubbeld. Voorts heeft het College appellant de verplichting opgelegd om zich voor 1 juli 2007 bij Promen te melden om alsnog te starten met zijn re-integratietraject.

1.9. Appellant heeft zich niet voor 1 juli 2007 bij Promen gemeld.

1.10. Bij besluit van 24 juli 2007 (hierna: besluit 4) heeft het College met toepassing van artikel 18, tweede lid, van de WWB de bijstand van appellant met ingang van 1 juli 2007 verlaagd met 100% gedurende drie maanden op de grond dat appellant niet of onvoldoende gebruik maakt van een door het College aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Het College heeft daarbij overwogen dat sprake is van recidive in de zin van artikel 9, tweede lid, van de Afstemmingsverordening en dat daarom de maatregel met toepassing van die bepaling zou moeten worden verdubbeld in omvang, maar dat is besloten de maatregel slechts gedurende drie maanden op te leggen.

1.11. Bij besluit van 5 oktober 2007 heeft het College het bezwaar tegen besluit 1 ongegrond verklaard.

1.12. Bij besluit van 29 april 2008 heeft het College het bezwaar tegen besluit 2 ongegrond verklaard. Bij het besluit van 29 april 2007 heeft het College voorts de bezwaren tegen de besluiten 3 en 4 gegrond verklaard voor zover de bezwaren zich richten tegen de motivering van de maatregelen en ongegrond verklaard voor het overige. Het College heeft daarbij overwogen dat bij de besluiten 3 en 4 ten onrechte toepassing is gegeven aan artikel 9, tweede lid, van de Afstemmingsverordening omdat deze bepaling blijkens de toelichting daarop slechts eenmaal kan worden gebruikt. De besluiten 3 en 4 kunnen volgens het College niettemin materieel in stand blijven omdat, gelet op de lange duur van de procedures om appellant te re-integreren in de arbeidsmarkt en zijn halsstarrig weigeren om medewerking te verlenen aan het aangeboden traject, de opgelegde maatregelen niet disproportioneel zijn te achten.

2.1. Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 5 oktober 2007 ongegrond verklaard.

2.2. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank - met bepalingen inzake griffierecht en proceskosten - het beroep tegen het besluit van 29 april 2008 gegrond verklaard voor zover dit zich richt tegen de heroverweging van de besluiten 3 en 4, het besluit van 29 april 2008 in zoverre vernietigd en bepaald dat de bijstand van appellant over mei 2007 en juli 2007 met 100% wordt verlaagd en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het College de bij de besluiten 3 en 4 opgelegde en bij het besluit van 29 april 2008 gehandhaafde verlagingen van de bijstand niet in overeenstemming zijn met het in artikel 2, tweede en derde lid, van de Afstemmingsverordening neergelegde afstemmingsvereiste en dat verlagingen van de bijstand met 100% over respectievelijk de maanden mei 2007 en juli 2007 daarmee wel in overeenstemming zijn.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen aangevallen uitspraak 1 gekeerd. Voorts heeft appellant zich in hoger beroep gemotiveerd tegen aangevallen uitspraak 2 gekeerd voor zover daarbij de bijstand van appellant over mei 2007 en juli 2007 wordt verlaagd met 100% en het beroep ongegrond wordt verklaard.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Voor een weergave van de toepasselijke bepalingen van de WWB en de Afstemmingsverordening verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraken.

4.2. Vaststaat dat het College appellant heeft aangemeld voor een leerwerkstage bij Promen. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant in december 2006 heeft geweigerd daaraan mee te werken en dat hij in die weigering heeft volhard in februari 2007 en mei 2007. Voorts heeft appellant geen gehoor gegeven aan de bij besluit 2 en 3 gedane oproepen om zich voor 1 april 2007 respectievelijk1 juli 2007 bij Promen te melden om alsnog met de betreffende leerwerkstage te starten.

4.3. Uit de gedingstukken blijkt dat de betreffende leerwerkstage erop was gericht de kansen van appellant op de arbeidsmarkt te vergroten door het opdoen van werkervaring. Tijdens deze werkstage zou appellant gedurende 20 uur per week aan zijn mogelijkheden en beperkingen aangepast inpakwerk verrichten. Verder zou worden bezien waar de sterke en zwakkere kanten van appellant liggen, welke voorzieningen hij nodig heeft om arbeid te verrichten en wat er gedaan moet worden om zijn kansen op de arbeidsmarkt te vergroten. Tevens zou appellant begeleiding worden geboden bij het verrichten van sollicitatieactiviteiten. Uit de gedingstukken blijkt voorts dat afhankelijk van de aard van de beperkingen een arbeidsdeskundig onderzoek door de Arbo-arts zou kunnen worden uitgevoerd en dat in geval van zeer sterke beperkingen ook de mogelijkheid bestond om met behulp van een aantal tests de concrete restcapaciteit van appellant te bepalen. Naar het oordeel van de Raad gaat het bij de betreffende leerwerkstage, gelet op de door appellant tijdens die stage te verrichten werkzaamheden, niet louter om een onderzoek naar de mogelijkheden van appellant tot arbeidsinschakeling, zoals appellant betoogt.

De Raad merkt de betreffende leerwerkstage aan als een voorziening gericht op arbeidsinschakeling.

4.4. Door in december 2006 te weigeren aan de leerwerkstage mee te werken, daarin in februari 2007 en mei 2007 te volharden en geen gehoor te geven aan de bij de besluit 2 en 3 gedane oproepen om zich voor 1 april 2007 respectievelijk1 juli 2007 bij Promen te melden om alsnog met de betreffende leerwerkstage te starten heeft appellant (telkens) niet aan de ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB op hem rustende verplichting voldaan om gebruik te maken van een door het College aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling.

4.5. Gelet op hetgeen onder 4.3 is overwogen treft de grief van appellant dat niet duidelijk was wat de leerwerkstage bij Promen inhield en dat daarom niet kan worden vastgesteld of en zo ja welke verplichting appellant heeft overtreden, geen doel.

4.6. De Raad volgt appellant evenmin in zijn betoog dat hem niet valt te verwijten dat hij geen gebruik heeft gemaakt van de door het College aangeboden voorziening omdat het College heeft nagelaten hem vooraf duidelijke informatie over de leerwerkstage te verstrekken. Uit de gedingstukken blijkt immers dat medewerkers van de gemeentelijke sociale dienst appellant reeds tijdens het onder 1.3 genoemde gesprek van 14 november 2006 mondeling hebben geïnformeerd over de inhoud van de leerwerkstage bij Promen. Daarna is appellant bij brieven van 16 november 2006 en 30 november 2006 nog schriftelijke informatie over de leerwerkstage verschaft.

4.7. De Raad passeert ook de grief van appellant dat het College hem aan een medische keuring had moeten onderwerpen alvorens hem voor de leerwerkstage Promen aan te melden en dat hem daarom niet kan worden verweten dat hij van de hem door het College aangeboden voorziening geen gebruik heeft gemaakt. Daartoe overweegt de Raad dat het, gelet op de onder 1.2 beschreven voorgeschiedenis van de aanmelding, op de weg van appellant lag aannemelijk te maken dat zijn beperkingen ten opzichte van de bevindingen van de keuringen uit 2004 zodanig waren toegenomen dat hij de betreffende leerwerkstage niet zou kunnen volgen. Daarin is appellant niet geslaagd. De schriftelijke verklaring van zijn huisarts van 20 februari 2006 dat vanaf 2002 geen verbetering is opgetreden van klachten aan nek, schouders en rug biedt geen steun voor het standpunt van appellant dat zijn beperkingen zijn toegenomen. Ook uit de brief van arbeidsfysiotherapeut M. Looijen van 8 januari 2007 kan niet worden afgeleid dat appellant de aangeboden leerwerkstage met aan zijn beperkingen aangepaste werkzaamheden niet zou kunnen volgen. In die brief wordt weliswaar vermeld dat appellant erg laag belastbaar is in algehele ADL-functies, maar de arbeidsfysiotherapeut ziet ook mogelijkheden om de belastbaarheid en functie van de linkerschouder en wervelkolom van appellant te verbeteren bijvoorbeeld door middel van een multidisciplinaire aanpak met een ‘graded activity programma’. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat blijkens het ambtsbericht van 14 maart 2007 en een rapportage van 8 februari 2007 de arbeidsfysiotherapeut te kennen heeft gegeven dat een ‘graded activity programma’ erop is gericht de belastbaarheid van appellant op te bouwen en dat een re-integratietraject bij Promen, mits laag genoeg ingestoken en indien rekening gehouden wordt met de beperkingen van appellant, past binnen de multidisciplinaire aanpak van zijn klachten. De Raad gaat voorbij aan de stelling van appellant dat het gesprek met de arbeidsfysiotherapeut in het genoemde ambtsbericht en de genoemde rapportage onjuist is weergegeven, aangezien appellant deze stelling niet nader heeft onderbouwd.

4.8. Nu appellant in strijd met de ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB op hem rustende verplichting in december 2006 en daarna in februari 2007, april/mei 2007 en juni/juli 2007 geen gebruik heeft gemaakt van een hem door het College aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling en van deze gedragingen niet kan worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, was het College op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB (telkens) gehouden de bijstand van appellant te verlagen.

4.9. De betreffende gedragingen zijn aan te merken als gedragingen van de vierde categorie als bedoeld in artikel 10, vierde lid, van de Afstemmingsverordening. Hierbij past ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder d, van de Afstemmingsverordening een verlaging van de bijstand van 50% van de bijstandsnorm gedurende een maand.

4.10. De Raad stelt vast dat de bij besluit 1 vastgestelde en bij het besluit 5 oktober 2007 gehandhaafde verlaging van de bijstand daarmee in overeenstemming is. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond om met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de WWB in verbinding met artikel 2, tweede lid, van de Afstemmingsverordening van een verlaging af te zien of de bijstand minder vergaand te verlagen.

4.11. De Raad stelt voorts vast dat sprake is van recidive als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Afstemmingsverordening. Appellant heeft immers door in februari 2007 te volharden in zijn weigering deel te nemen aan de aangeboden leerwerkstage binnen twaalf maanden na bekendmaking van besluit 1 zich opnieuw schuldig gemaakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde categorie. Dat betekent dat het College bevoegd was de omvang en de duur van de standaardmaatregel van 50% gedurende een maand te verdubbelen. Bij het bij besluit van 29 april 2008 gehandhaafde besluit 2 heeft het College in zoverre van die bevoegdheid gebruik gemaakt door slechts de duur van de maatregel te verdubbelen en de bijstand te verlagen met 50% gedurende twee maanden. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen.

4.12. Tegen de hoogte van de ter zake van de verwijtbare gedragingen van april/mei 2007 en juni/juli 2007 door de rechtbank bij de aangevallen uitspraak 2 opgelegde verlagingen van 100% over de maand mei 2007 respectievelijk juli 2007 heeft appellant geen zelfstandige grieven ingebracht. De Raad ziet geen grond om met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de WWB in verbinding met artikel 2, tweede lid, van de Afstemmingsverordening van een verlaging af te zien of de bijstand minder vergaand te verlagen dan de rechtbank heeft gedaan.

4.13. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen slagen de hogere beroepen niet. Dat betekent dat aangevallen uitspraak 1 voor bevestiging in aanmerking komt en dat aangevallen uitspraak 2 dient te worden bevestigd voor zover aangevochten.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt aangevallen uitspraak 1;

Bevestigt aangevallen uitspraak 2, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.J.A. Kooijman en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2010.

(get.) C. van Viegen.

(get.) J.M. Tason Avila.

RB