Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN6083

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-08-2010
Datum publicatie
09-09-2010
Zaaknummer
09-6571 CSV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad volgt appellant in zijn opvatting dat betrokkene vanuit zijn verantwoordelijkheid voor (de kwaliteit van) de helpdesk en trainingen er wezenlijk belang bij had en tevens de mogelijkheid had om aan [J.] aanwijzingen en instructies te geven en dat [J.] zijn werkzaamheden onder gezag van betrokkene verrichtte. Dat [J.] in de uitvoering daarvan een verregaande mate van vrijheid had en hij, zoals toegelicht ter zitting, als professional geen aanleiding gaf tot aansturing, brengt de Raad niet tot een ander oordeel. Vernietiging uitspraak. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/6571 CSV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 4 november 2009, 08/288 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: betrokkene),

en

appellant

Datum uitspraak: 19 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. H.M.C. van Dun, werkzaam bij Van den Boomen Belastingadviseurs B.V. te Waalre, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juli 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. Segers, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Namens betrokkene, daartoe ambtshalve opgeroepen bij gemachtigde, zijn verschenen mr. Van Dun en [J.].

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de wet- en regelgeving zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.1. De ondernemingactiviteiten van de betrokkene bestaan uit het ontwikkelen van bouwkundige applicaties gebaseerd op Autocad, het vervaardigen van maatwerkapplicatie en de verkoop van deze applicaties. [J.] is naast zijn werkzaamheden als zelfstandig architect in de jaren 2003 tot en met 2005 werkzaam geweest in de helpdesk van betrokkene en heeft trainingen gegeven aan gebruikers van de door betrokkene ontwikkelde applicaties. Betrokkene heeft een helpdesk ten behoeve van haar klanten die een softwarepakket hebben afgenomen. Naast enkele vaste werknemers van betrokkene neemt [J.] deel aan de helpdesk. In overleg met [J.] wordt wekelijks een rooster opgesteld en bij inroostering verricht [J.] de helpdeskwerkzaamheden thuis of op zijn eigen kantoor. De door [J.] gegeven trainingen vinden voornamelijk plaats in de trainingsruimte van betrokkene of een door betrokkene georganiseerde ruimte, op locatie bij de klant en in zeer incidentele gevallen op kantoor van [J.].

2.2. Naar aanleiding van een looncontrole door de belastingdienst bij betrokkene heeft appellant aan betrokkene over de jaren 2003 tot en met 2005 correctienota’s opgelegd, waarbij premies zijn nageheven over de door betrokkene aan [J.] in die jaren gedane betalingen. Tevens zijn over genoemde jaren boetenota’s opgelegd.

2.3. Bij besluit van 12 december 2007 heeft appellant de bezwaren tegen de opgelegde nota’s ongegrond verklaard. Aan dat besluit is, voor zover hier van belang, ten grondslag gelegd dat [J.] in de onderhavige arbeidsverhouding bij betrokkene werkzaam is onder werkgeversgezag.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen inzake vergoeding van proceskosten en griffierecht - het tegen het besluit van 12 december 2007 ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De rechtbank heeft overwogen dat het geschil zich beperkt tot de vraag of sprake is van een gezagsverhouding en is tot de conclusie gekomen dat appellant niet in voldoende mate het bestaan van een gezagsverhouding tussen betrokkene en [J.] aannemelijk heeft gemaakt. Ten aanzien van de helpdeskwerkzaamheden heeft de rechtbank van belang geacht dat [J.] een grote mate van vrijheid heeft, omdat hij ondanks de inroostering de vrijheid heeft zich onbereikbaar te verklaren, de telefoon uit te zetten en de klant op een hem gelegen moment terug te bellen. Ten aanzien van het geven van trainingen heeft de rechtbank overwogen dat [J.] zich kan laten vervangen als hij op de overeengekomen dag toch niet in staat is de training te geven. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat [J.] zich aan de cursisten als zelfstandig ondernemer presenteert en dergelijke trainingen ook voor andere bedrijven verricht.

4. Appellant heeft het oordeel van de rechtbank bestreden dat niet in voldoende mate het bestaan van de gezagsverhouding aannemelijk is gemaakt. Appellant voert daartoe onder meer aan dat de relatief grote mate van vrijheid, die inherent geacht kan worden aan de werkzaamheden van [J.], er op zichzelf niet aan in de weg staat dat aanwijzingen worden gegeven of dat achteraf controle wordt uitgeoefend op de gewerkte uren en behaalde resultaten. Voorts heeft appellant erop gewezen dat de helpdeskactiviteiten tot de kernactiviteiten van betrokkene behoren en dat het ontbreken van werkgeversgezag dan niet aannemelijk is. Gelet op het economisch belang van betrokkene bij de trainingen in de door haar ontwikkelde software acht appellant het onaannemelijk dat betrokkene, indien noodzakelijk, daarbij niet zou kunnen ingrijpen. Appellant heeft benadrukt dat onaannemelijk is dat [J.] zich bij de trainingen door een willekeurige derde kon laten vervangen.

5. De Raad overweegt het volgende.

5.1. Tussen appellant en betrokkene is uitsluitend in geschil het antwoord op de vraag of [J.] zijn werkzaamheden in de jaren 2003 tot en met 2005 onder gezag van betrokkene heeft verricht.

5.2. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is sprake van een gezagsverhouding indien door de - vermeende - werkgever aanwijzingen en instructies kunnen worden gegeven. De Raad is met appellant en anders dan de rechtbank van oordeel dat de vraag of tussen betrokkene en [J.] sprake was van een gezagsverhouding bevestigend moet worden beantwoord en overweegt daartoe het volgende.

5.3.1. Daargelaten of, zoals betrokkene stelt, de helpdesk en de trainingen niet behoren tot haar kernactiviteiten, maar in het verlengde daarvan liggen, stelt de Raad vast dat deze activiteiten van wezenlijk belang zijn voor de bedrijfsvoering van betrokkene. Voor de verkoop van de door betrokkene ontwikkelde software is van belang dat de afnemers de mogelijkheid hebben om gebruik te maken van de helpdeskvoorziening van betrokkene om problemen met deze software snel en adequaat te kunnen oplossen. Voor het abonnement op deze voorziening betalen de afnemers een vergoeding. Voorts is het voor de afnemers van de software van wezenlijk belang dat zij over voldoende kennis en vaardigheden beschikken om deze software naar behoren te kunnen gebruiken, zodat het geven van trainingen daarin van groot belang is voor de verkoop van de door betrokkene ontwikkelde producten.

5.3.2. De werkzaamheden van [J.] in de helpdesk zijn identiek aan die van de vaste werknemers van betrokkene, behoudens dat de werknemers deze werkzaamheden op kantoor van betrokkene verrichten, terwijl [J.] de gelegenheid heeft tijdens de inroostering andere activiteiten te verrichten, althans voor zover de hulpvragen dit toelaten. Als [J.] zich ondanks inroostering niet beschikbaar kan stellen, neemt hij tevoren met betrokkene contact op, waarna een oplossing wordt getroffen. Is hij op enig moment niet bereikbaar dan kan zijn voicemail worden ingesproken, waarna hij de klant zo snel mogelijk terugbelt. [J.] ontvangt voor deze werkzaamheden een vergoeding per dagdeel ongeacht het aantal beantwoorde hulpvragen. In een situatie waarin de tevens door het vaste personeel uitgevoerde werkzaamheden als onderdeel van de bedrijfsvoering in het werkrooster van de onderneming zijn opgenomen, is de Raad van oordeel dat het ontbreken van werkgeversgezag ten aanzien van degene die deze werkzaamheden uitvoert niet aannemelijk is. Als het functioneren van [J.] daartoe aanleiding geeft zullen de klanten betrokkene, hun contractuele relatie, daarop aanspreken. Betrokkene heeft de mogelijkheid naar aanleiding van klachten en signalen van haar klanten en de door [J.] ingeleverde declaraties aan hem aanwijzingen en instructies te geven.

5.3.3. [J.] heeft in overleg met betrokkene het trainingsmateriaal samengesteld en past dit materiaal aan als wijziging van de applicaties daartoe aanleiding geeft. In het trainingsmateriaal, dat op naam van betrokkene staat, is [J.] vermeld als samensteller. Vast personeel van betrokkene verzorgt in een enkel geval deze training en maakt dan gebruik van het door [J.] samengesteld materiaal. In het incidentele geval dat [J.] niet in staat was zelf de training te geven, heeft hij een vervanger ingeschakeld, die bij betrokkene bekend staat als een capabele vervanger. Bij trainingen presenteert [J.] zich namens betrokkene en geeft aan dat hij als zelfstandige door betrokkene is ingehuurd. Na afloop van een training ontvangen de cursisten een evaluatieformulier. De ingevulde formulieren worden door [J.] naar betrokkene gezonden. De informatie op de evaluatieformulieren geeft betrokkene de mogelijkheid om tegenover [J.] sturend op te treden.

5.4. Gelet op de onder 5.3.1 tot en met 5.3.3 genoemde feiten en omstandigheden in onderling verband beschouwd volgt de Raad appellant in zijn opvatting dat betrokkene vanuit zijn verantwoordelijkheid voor (de kwaliteit van) de helpdesk en trainingen er wezenlijk belang bij had en tevens de mogelijkheid had om aan [J.] aanwijzingen en instructies te geven en dat [J.] zijn werkzaamheden ten tijde hier van belang onder gezag van betrokkene verrichtte. Dat [J.] in de uitvoering daarvan een verregaande mate van vrijheid had en hij, zoals toegelicht ter zitting, als professional geen aanleiding gaf tot aansturing, brengt de Raad niet tot een ander oordeel.

5.5. Het onder 5.4 gegeven oordeel brengt mee dat het hoger beroep slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Nu in beroep geen afzonderlijke beroepsgronden zijn aangevoerd tegen de correctienota’s en de boetenota’s zal de Raad, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep ongegrond verklaren.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en J.F. Bandringa en B.J. van der Net als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2010.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) C. de Blaeij.

JvS