Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN6079

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-08-2010
Datum publicatie
09-09-2010
Zaaknummer
08-6685 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplegging volledige tot arbeidsinschakeling strekkende verplichtingen als bedoeld in art. 9 WWB. Voldoende medisch onderzoek. Appellant heeft geen medische of andere gegevens overgelegd die twijfel doen ontstaan over de juistheid van het advies van de WOSM dan wel aan de zorgvuldige totstandkoming daarvan. Geen sprake van dringende redenen in de zin van het tweede lid van art. 9 WWB die aanleiding geven om appellant wederom te ontheffen van de verplichtingen bedoeld in het eerste lid van dat artikel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/6685 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 13 oktober 2008, 08/156 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Kerkrade (hierna: College)

Datum uitspraak: 24 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B. Lynen, advocaat te Kerkrade, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2010. Voor appellant is

mr. Lynen verschenen. Het College heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellant ontvangt al geruime tijd bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Gedurende vele jaren golden voor appellant de volledige verplichtingen ter zake van de inschakeling in de arbeid. Bij besluit van 16 mei 2003 is appellant vrijgesteld van de arbeidsverplichtingen van artikel 113, eerste lid, van de Algemene bijstandswet op grond van een door Argonaut op 16 april 2003 uitgevoerd medisch onderzoek. Bij besluit van 26 januari 2006 is appellant vooralsnog tot 1 januari 2007 van bepaalde arbeidsverplichtingen vrijgesteld op grond van eerdergenoemd medisch onderzoek. Bij besluit van 13 maart 2007 is deze ontheffing gehandhaafd in afwachting van een medisch/arbeidskundig advies van de arbodienst WOSM (hierna: WOSM).

1.2. WOSM heeft op 27 juni 2007 een advies uitgebracht over de arbeidsgeschiktheid van appellant. In dat advies staat vermeld dat appellant in staat geacht wordt tot het verrichten van arbeid gedurende 40 uur per week, waarbij rekening gehouden dient te worden met een aantal beperkingen, in lichamelijk opzicht met name ten aanzien van de linker knie- en linker schouderklachten en in psychisch opzicht met name ten aanzien van het werken in kleine ruimtes en afgesloten ruimtes met veel mensen.

1.3. Onder verwijzing naar dit advies heeft het College bij besluit van 9 juli 2007 weer de volledige verplichtingen als bedoeld in artikel 9 van de WWB aan appellant opgelegd.

1.4. Bij besluit van 18 december 2007 is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 9 juli 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 18 december 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de WWB is de belanghebbende van 18 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar vanaf de dag van melding, als bedoeld in artikel 44, tweede lid, verplicht:

a. naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, te verkrijgen en deze te aanvaarden, waaronder begrepen registratie als werkzoekende bij de Centrale organisatie werk en inkomen, indien hem daartoe het recht toekomt op grond van artikel 25, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

b. gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

4.2. Ingevolge artikel 9, tweede lid, van de WWB kan het college, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van een verplichting als bedoeld in het eerste lid.

4.3. Zoals de Raad eerder, onder meer in zijn uitspraak van 26 april 2005, LJN AT5285 heeft overwogen - kortweg - zal het College periodiek moeten onderzoeken of en in hoeverre er aanleiding is om tot arbeidsinschakeling strekkende verplichtingen (opnieuw) aan de bijstand te verbinden of om voor een bepaalde periode verleende ontheffingen voort te zetten, in te trekken of te wijzigen. Daaraan voegt de Raad toe dat een besluit om deze verplichtingen voorgoed niet aan een belanghebbende op te leggen of om zonder tijdsbepaling ontheffing te verlenen van verplichtingen gericht op inschakeling in de arbeid daarmee in strijd zou zijn.

4.4. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het College op goede gronden heeft besloten appellant niet (langer) te ontheffen van de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9 van de WWB. Evenals de rechtbank oordeelt de Raad dat het College zich kon en mocht baseren op het advies van de WOSM. Ook de Raad is niet gebleken dat dit advies, wat de wijze van totstandkoming of de inhoud betreft, niet deugdelijk zou zijn, temeer niet nu in de bezwaarfase desgevraagd door de arts van WOSM nog een nadere verduidelijking omtrent de psychische beperkingen van appellant en de invloed daarvan op de arbeidsmogelijkheden is verschaft. Dat daarbij een aanbeveling is gedaan voor aanvullend onderzoek c.q. behandeling, zoals op 25 april 2007 door H. Jacobs, psycholoog bij AIM, na onderzoek van appellant op verzoek van het College was geadviseerd, doet aan de deugdelijkheid van het advies niet af. Gelet op de gegeven verduidelijking ziet de Raad deze aanbeveling niet als een advies om aanvullende informatie te verkrijgen met het oog op de invloed van de psychische beperkingen van appellant, maar als een aanbeveling voor een mogelijk therapeutische behandeling van appellant.

4.5. Voorts kan het gegeven eindoordeel over de arbeidsmogelijkheden van appellant worden gedragen door de overwegingen die de betrokken arts van WOSM tot dat eindoordeel hebben geleid. Deze arts heeft aan de hand van de bevindingen tijdens het onderzoek van appellant diens mogelijkheden en beperkingen vastgesteld, neergelegd in een zogenoemde functionele mogelijkhedenlijst (hierna: FML). Namens appellant is tijdens de behandeling ter zitting van de Raad aangevoerd dat deze lijst tegenstrijdigheden bevat, onder meer waar vermeld is dat appellant het toetsenbord en de muis van een computer kan bedienen terwijl hij vanwege zijn lage opleiding niet eens met een computer kan omgaan. De Raad kan appellant hierin niet volgen. Dienaangaande stelt de Raad vast dat de FML per rubriek en per onderdeel vermeldt of een beperking aanwezig is. Het ontbreken van een beperking op een bepaald onderdeel in één van de rubrieken impliceert dan ook niet dat met betrekking tot dit onderdeel geen andere belemmeringen aanwezig zijn.

4.6. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, ziet de Raad, anders dan appellant, niet in dat het College nog een aanvullend medisch onderzoek had moeten laten verrichten. Appellant heeft geen medische of andere gegevens overgelegd die twijfel doen ontstaan over de juistheid van het advies van de WOSM dan wel aan de zorgvuldige totstandkoming daarvan. Naar het oordeel van de Raad zijn er dan ook geen aanknopingspunten om het verzoek van appellant om een medisch deskundige te benoemen te honoreren.

4.7. De Raad komt tot de slotsom dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van dringende redenen in de zin van het tweede lid van artikel 9 van de WWB die aanleiding geven om appellant wederom te ontheffen van de verplichtingen bedoeld in het eerste lid van dat artikel. De door appellant aangevoerde omstandigheden, daaronder begrepen de grief dat appellant in staat wordt geacht 40 uur per week arbeid te verrichten terwijl hij al 20 jaar volledig arbeidsongeschikt is geacht, hebben de Raad niet tot een andersluidende conclusie kunnen brengen. De Raad wijst erop, zoals ook de rechtbank heeft aangegeven dat appellant in het verleden bij herhaling de volledige arbeidsverplichtingen zijn opgelegd. En overigens is in aanmerking genomen dat appellant gezien zijn grote afstand tot de arbeidsmarkt via een heel geleidelijk voorbereidingstraject naar arbeidsinschakeling wordt begeleid.

4.8. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2010.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) C. de Blaeij.

AV