Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN6011

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-08-2010
Datum publicatie
07-09-2010
Zaaknummer
08-1594 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De met het beslag verband houdende inhoudingen over de maanden februari 2005 tot en met juli 2007 op grond van artikel 79 WWB moeten voor de toepassing van artikel 8:1, lid 1, Awb worden aangemerkt als besluiten. Het bezwaar van appellant tegen de inhoudingen op de bijstandsuitkering over de maanden februari 2005 tot en met juni 2007 is terecht niet-ontvankelijk verklaard. De beslagdebiteur (in dit geval appellant) kan bezwaren betreffende een gelegd beslag ingevolge art. 438 Rv voorleggen aan de civiele rechter en de derde-beslagene (in dit geval het College) is gehouden volledige medewerking aan het beslag te geven zonder de geldigheid en de omvang daarvan te mogen beoordelen (LJN AV1208). Het is de verantwoordelijkheid van het College de hoogte van de voor appellant geldende beslagvrije voet vast te stellen en mede aan de hand daarvan te bepalen in hoeverre de bijstandsuitkering van appellant ruimte laat voor inhoudingen ter uitvoering van het daarop gelegde beslag. Het onderzoek naar de hoogte van de over de maand juli 2007 voor appellant geldende beslagvrije voet is onvoldoende zorgvuldig geweest. Het verzoek om vergoeding van de door de inhouding op de bijstand over de maand juli 2007 geleden schade komt thans niet voor toewijzing in aanmerking omdat nadere besluitvorming noodzakelijk is en de Raad onvoldoende inzicht heeft in de omvang van de door die inhouding geleden schade. Geen sprake van overschrijding redelijke termijn.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 475d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2010/307
JWWB 2010/203
RSV 2010/266

Uitspraak

08/1594 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 22 februari 2008, 07/1059, (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College)

Datum uitspraak: 17 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft op het verweerschrift gereageerd en nadere stukken aan de Raad gezonden.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 6 juli 2010, waar partijen niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt van het College bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Op 28 april 2004 is door deurwaarderskantoor Heijkoop & Partners beslag gelegd op de bijstand van appellant in verband met een dwangbevel van het kantongerecht Groningen. Bij brief van 1 juni 2004 heeft het College appellant meegedeeld dat met ingang van 1 februari 2005 op grond van het gelegde beslag een bedrag van € 38,70 per maand op de bijstandsuitkering zal worden ingehouden.

1.3. Op 21 juni 2004, 22 juni 2004 en 15 oktober 2004 is respectievelijk door Rosier & Weggemans c.s., gerechtsdeurwaarders en incasso, NGC gerechtsdeurwaarders & incasso en Bos gerechtsdeurwaarders beslag gelegd op de bijstand van appellant in verband met schulden respectievelijk aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, aan de Informatie Beheer Groep en aan tandarts [naam tandarts] en KPN Telecom B.V. Deze beslagen zijn opgeboekt bij het door Heijkoop & Partners gelegde beslag.

1.4. Bij brief van 15 augustus 2007, bij het College binnengekomen op 21 augustus 2007, heeft appellant bezwaar gemaakt tegen de inhoudingen op zijn bijstandsuitkering in verband met het door Heijkoop & Partners gelegde beslag.

1.5. Bij besluit van 19 oktober 2007 heeft het College het bezwaar van appellant voor zover het is gericht tegen de inhoudingen op de bijstandsuitkering over de maanden februari 2005 tot en met juni 2007 wegens overschrijding van de bezwaartermijn niet-ontvankelijk verklaard. Het College heeft voorts het bezwaar van appellant tegen de inhouding op de bijstandsuitkering over juli 2007 ongegrond verklaard. Het College heeft daartoe overwogen dat het als derde-beslagene gehouden is volledige medewerking aan het beslag te geven, mits de belanghebbende blijft beschikken over een inkomen gelijk aan de beslagvrije voet van 90% van de bijstandsnorm en dat appellant in juli 2007 is blijven beschikken over een inkomen boven of gelijk aan de beslagvrije voet.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 19 oktober 2007 ongegrond verklaard. Tevens heeft de rechtbank het verzoek van appellant om schadevergoeding afgewezen.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij stelt zich op het standpunt dat het bezwaar tegen de inhoudingen op de bijstandsuitkering over de maanden februari 2005 tot en met juni 2007 ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Ten aanzien van de inhouding op de bijstandsuitkering over juli 2007 heeft appellant aangevoerd dat onrechtmatig en voor onjuiste bedragen beslag is gelegd en voorts dat het bedrag van de beslagvrije voet onjuist is vastgesteld, omdat het College de beslagvrije voet ten onrechte niet heeft verhoogd met de premie van een door hem gesloten ziektekostenverzekering en met een bedrag wegens woonkosten. Tevens heeft appellant verzocht om een veroordeling om schadevergoeding onder meer wegens overschrijding van de redelijke termijn bedoeld in artikel 6,

eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Tussen partijen is niet in geschil en ook de Raad gaat ervan uit dat de met het beslag verband houdende inhoudingen over de maanden februari 2005 tot en met juli 2007 op grond van artikel 79 van de WWB voor de toepassing van artikel

8:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moeten worden aangemerkt als besluiten.

4.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bezwaar van appellant tegen de inhoudingen op de bijstandsuitkering over de maanden februari 2005 tot en met juni 2007 niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Hij verenigt zich met de overwegingen van de rechtbank waarop dit oordeel is gebaseerd en verwijst daarnaar. Hetgeen appellant in hoger beroep op dit punt naar voren heeft gebracht leidt de Raad niet tot een ander oordeel.

4.3. Ten aanzien van de met het beslag verband houdende inhouding over de maand juli 2007 stelt de Raad voorop dat hij al vaker heeft overwogen (zie bijvoorbeeld zijn uitspraak van 31 januari 2006, LJN AV1208) dat de beslagdebiteur (in dit geval appellant) bezwaren betreffende een gelegd beslag ingevolge artikel 438 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan voorleggen aan de civiele rechter en dat de derde-beslagene (in dit geval het College) is gehouden volledige medewerking aan het beslag te geven zonder de geldigheid en de omvang daarvan te mogen beoordelen. Ook de bestuursrechter dient bij de beoordeling van een betalingsbeslissing ter uitvoering van een gelegd beslag de geldigheid van dat beslag als een gegeven te beschouwen en zijn toetsing kan niet verder strekken dan de beantwoording van de vraag of het bestuursorgaan bij het nemen van zijn betalingsbeslissing is gebleven binnen het kader van het beslag. Met de rechtbank en anders dan appellant is de Raad dan ook van oordeel dat in de onderhavige procedure niet ter beoordeling voorligt of rechtmatig en voor een juist bedrag beslag op de bijstandsuitkering van appellant is gelegd.

4.4. Met betrekking tot de stelling van appellant dat het College de beslagvrije voet ten onrechte niet heeft verhoogd met de premie van een door hem gesloten ziektekostenverzekering en met een bedrag wegens woonkosten overweegt de Raad als volgt.

4.4.1. Ingevolge artikel 475d, eerste lid, aanhef en onder b, van het Rv bedraagt de beslagvrije voet voor appellant negentig procent van de voor hem geldende bijstandsnorm.

4.4.2. Ingevolge artikel 475d, vijfde lid, aanhef en onder a, van het Rv, zoals dit artikelonderdeel tot 1 januari 2008 luidde, wordt de beslagvrije voet verhoogd met de premie van een door de schuldenaar gesloten ziektekostenverzekering, telkens wanneer deze premie vervalt terwijl het beslag ligt. Ingevolge artikel 475d, vijfde lid, aanhef en onder b, van het Rv wordt de beslagvrije voet verhoogd met de voor rekening van de schuldenaar komende woonkosten verminderd met ontvangen huurtoeslag of woonkostentoeslag, voor zover de woonkosten, na deze vermindering, meer bedragen dan het bedrag, genoemd in artikel 17, tweede lid, van de Wet op de huurtoeslag (WHT), met dien verstande dat de verhoging van de beslagvrije voet niet meer bedraagt dan het huurtoeslagbedrag waarop de schuldenaar, uitgaande van de laagste inkomenscategorie, krachtens artikel 21 van de WHT ten hoogste aanspraak heeft.

4.4.3. Uit de gedingstukken blijkt dat het College de voor appellant geldende beslagvrije voet heeft vastgesteld op € 785,11. De Raad houdt het ervoor dat het College daarbij uitsluitend toepassing heeft gegeven aan artikel 475d, eerste lid, aanhef en onder b, van het Rv. Uit de gedingstukken blijkt niet dat het College heeft onderzocht of de beslagvrije voet in het geval van appellant ingevolge artikel 475d, vijfde lid, aanhef en onder a en b, van het Rv dient te worden verhoogd. Daartoe was het College wel verplicht.

4.4.4. Het College heeft erop gewezen dat deurwaarderskantoor Heijkoop & Partners hem bij brief van 4 september 2007 heeft meegedeeld dat de beslagvrije voet van appellant per 1 juli 2007 € 785,10 bedraagt. Voor zover het College daarmee heeft willen betogen dat de deurwaarder de voor appellant geldende beslagvrije voet vaststelt en dat het College gehouden is die vaststelling te volgen, onderschrijft de Raad dit betoog niet. Het is de verantwoordelijkheid van het College de hoogte van de voor appellant geldende beslagvrije voet vast te stellen en mede aan de hand daarvan te bepalen in hoeverre de bijstandsuitkering van appellant ruimte laat voor inhoudingen ter uitvoering van het daarop gelegde beslag.

4.4.5. De Raad komt tot de conclusie dat het onderzoek naar de hoogte van de over de maand juli 2007 voor appellant geldende beslagvrije voet onvoldoende zorgvuldig is geweest. De rechtbank heeft dat niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het besluit van 19 oktober 2007 gegrond verklaren, dat besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb vernietigen, voor zover daarbij het bezwaar tegen de inhouding op de bijstandsuitkering over de maand juli 2007 ongegrond is verklaard en het College opdragen in zoverre een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

4.5. Het verzoek om vergoeding van de door de inhouding op de bijstand over de maand juli 2007 geleden schade komt thans niet voor toewijzing in aanmerking omdat nadere besluitvorming noodzakelijk is en de Raad onvoldoende inzicht heeft in de omvang van de door die inhouding geleden schade. Het College zal bij zijn nadere besluitvorming tevens aandacht dienen te besteden aan de vraag of, en zo in hoeverre, er termen zijn om de door de inhouding op de bijstandsuitkering over de maand juli 2007 veroorzaakte schade te vergoeden.

4.6. Nu het College, zoals onder 4.2 is overwogen, het bezwaar van appellant tegen de inhoudingen op de bijstandsuitkering over de maanden februari 2005 tot en met juni 2007 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, zal de Raad het verzoek om schadevergoeding afwijzen voor zover dat op die inhoudingen betrekking heeft.

4.7. In hoger beroep is verzocht om vergoeding van de schade wegens overschrijding van de redelijke termijn bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 26 januari 2009, LJN BH1009), is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. Die situatie is hier aan de orde. Vanaf de indiening van het bezwaarschrift tot aan deze uitspraak van de Raad zijn nog geen vier jaren verstreken. Van bijzondere omstandigheden is niet gebleken. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn zal dus worden afgewezen.

5. Bij zijn nadere besluitvorming zal het College een beslissing moeten nemen op het verzoek van appellant om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten, aangezien van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten niet is gebleken. De Raad overweegt in dat verband dat de kosten van rechtsbijstand uitsluitend voor vergoeding in aanmerking komen indien het gaat om door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 19 oktober 2007 voor zover daarbij het bezwaar tegen de inhouding op de bijstandsuitkering over de maand juli 2007 ongegrond is verklaard;

Bepaalt dat het College in zoverre een nieuw besluit neemt op het bezwaar;

Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af, voor zover dat is gedaan wegens de inhouding op de bijstandsuitkering over de maanden februari 2005 tot en met juni 2007 en wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.

Bepaalt dat het College aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.J.A. Kooijman en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van J.N. Tason Avila als griffier. De beslissing uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2010.

(get.) C. van Viegen.

(get.) J.N. Tason Avila.

JvS