Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN6008

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-08-2010
Datum publicatie
07-09-2010
Zaaknummer
09-5420 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering terug te komen van in rechte onaantastbaar besluit, inhoudende afwijzing aanvraag periodieke WUV-uitkering en WUV-voorziening voor deelname aan het maatschappelijk verkeer. Geen nieuwe feiten of omstandigheden. Door appellante is herhaald hetgeen reeds ter ondersteuning van haar eerdere verzoek was aangevoerd. Ook de nader opgevraagde en verkregen informatie van de huisarts en psychotherapeut van appellante heeft geen nieuwe gezichtspunten opgeleverd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/5420 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 26 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het door verweerster onder dagtekening 20 augustus 2009, kenmerk BZ 48463, JZ/H70/2009, ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv), verder: bestreden besluit.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juli 2010. Daar is appellante in persoon verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, geboren in 1936 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in juli 2004 bij verweerster een aanvraag ingediend om te worden erkend als vervolgde in de zin van de Wuv en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering en een voorziening voor deelname aan het maatschappelijk verkeer.

1.2. Bij besluit van 11 januari 2005 heeft verweerster vastgesteld dat appellante vervolging heeft ondergaan in de zin van de Wuv en is zij erkend als vervolgde. Vervolgens heeft verweerster geoordeeld dat bij appellante geen ziekten of gebreken zijn geconstateerd waarvan kan worden aangenomen dat zij in verband staan met de onder-gane vervolging, hetgeen leidde tot afwijzing van de gevraagde uitkering en voorziening. Uit het aan dat besluit ten grondslag liggende medisch advies komt naar voren dat de geneeskundig adviseur op basis van het door de arts J.H. Husken bij appellante verrichte medisch onderzoek heeft geconcludeerd dat de psychische klachten van appellante niet aan de vervolging kunnen worden toegeschreven. In dat verband heeft de adviseur geoordeeld dat ten aanzien van de psychische klachten sprake is van een neiging tot paranoïde psychose waarvan de oorsprong genetisch/constitutioneel bepaald is.

Tegen dit besluit heeft appellante geen rechtsmiddelen aangewend.

1.3. In februari 2009 heeft appellante aan verweerster opnieuw verzocht om haar in aanmerking te brengen voor een periodieke uitkering en een bijzondere voorziening op grond van de Wuv. Verweerster heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 14 mei 2009, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, op de grond dat geen nieuwe feiten of gegevens zijn vermeld die aanleiding geven het onder 1.2 genoemde besluit te herzien.

Verweerster heeft daarbij aangegeven bij haar oordeel te blijven dat de bij appellante aanwezige psychose een constitutionele of genetische aandoening betreft en niet aan de vervolging kan worden toegeschreven.

2. Appellante kan zich met het bestreden besluit niet verenigen en herhaalt het standpunt dat de bij haar aanwezige psychoses wel voortkomen uit haar oorlogsverleden.

3. De Raad overweegt als volgt.

3.1. De onder 1.3 genoemde aanvraag draagt, naar verweerster terecht heeft vastgesteld, het karakter van een verzoek om herziening van het onder 1.2 genoemde besluit.

3.2. Op grond van artikel 61, tweede lid, van de Wuv is verweerster bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door haar gegeven besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien. Deze bevoegdheid is discretionair van aard, zodat de Raad de wijze waarop verweerster van deze bevoegdheid gebruik maakt met terughoudendheid dient te toetsen. Hierbij staat centraal de vraag of appellante bij het verzoek om herziening dan wel in bezwaar feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht die aan verweerster bij het nemen van haar eerdere besluit niet bekend waren en dat besluit in een zodanig nieuw daglicht plaatsen dat verweerster daarin aanleiding had moeten vinden om tot herziening over te gaan.

3.3. Van dergelijke gegevens is de Raad niet gebleken. Bij het onderhavige herzienings-verzoek, en in bezwaar tegen het besluit op dat verzoek, is door appellante herhaald hetgeen reeds ter ondersteuning van haar eerdere verzoek was aangevoerd. Ook de nader opgevraagde en verkregen informatie van de huisarts en psychotherapeut van appellante heeft geen nieuwe gezichtspunten opgeleverd.

4. Gelet op het voorgaande kan het besluit van verweerster om niet tot herziening over te gaan de onder 2.1 weergegeven toetsing van de Raad doorstaan. Het ingestelde beroep moet daarom ongegrond worden verklaard.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2010.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD