Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN6005

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-08-2010
Datum publicatie
07-09-2010
Zaaknummer
09-2214 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling dagloon loongerelateerde IVA-uitkering op grond van de WIA. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van Walvis komt naar voren dat het dagloon voortaan zou worden gebaseerd op het door de werknemer in een bepaalde periode daadwerkelijk ontvangen loon. De hier relevante bepalingen van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen blijven binnen het kader van de WIA en kan ,mede gelet op de terughoudendheid die de rechter bij de toetsing van materiële wetgeving in acht dient te nemen, niet gezegd worden dat de regelgever niet in redelijkheid tot vaststelling van de regeling heeft kunnen besluiten. (LJN BL7239) De Raad heeft geen aanleiding gevonden op dit oordeel terug te komen. Appellant is dan ook voor de berekening van het dagloon terecht uitgegaan van de door betrokkene in de referteperiode daadwerkelijk ontvangen uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW), met inbegrip van de daarop toegepaste verlaging van het uitkeringspercentage naar 35% over een periode van 26 weken op de grond dat betrokkene door eigen toedoen géén passende arbeid heeft behouden. Beroep van betrookene op verdragsrechtelijke bepalingen is dermate ongespecificeerd dat de Raad geen aanleiding ziet daarop in te gaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2010/277

Uitspraak

09/2214 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 5 maart 2009, 08/158 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 19 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. J.T.F. van Berkel, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juli 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. P.J. Ogtrop, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Namens betrokkene is verschenen

P.J. Reeser, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding relevante feiten en omstandigheden en de relevante wettelijke bepalingen verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat met het volgende.

1.1.Bij besluit van 18 september 2007 is aan betrokkene met ingang van 29 oktober 2007 op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) een zogeheten loongerelateerde IVA-uitkering toegekend, waarbij is uitgegaan van een dagloon van € 71,50. De tegen dit besluit gemaakte bezwaren, welke zijn gericht tegen het vastgestelde dagloon, zijn bij besluit van 31 januari 2008 in zoverre gegrond verklaard dat het dagloon is vastgesteld op € 123,13. Bij het besluit op bezwaar heeft appellant het standpunt gehandhaafd dat voor de berekening van het dagloon moet worden uitgegaan van de door betrokkene in de referteperiode daadwerkelijk ontvangen uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW), met inbegrip van de daarop toegepaste verlaging van het uitkeringspercentage naar 35% over een periode van 26 weken op de grond dat betrokkene door eigen toedoen géén passende arbeid heeft behouden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 31 januari 2008 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat blijkens de bewoordingen van artikel 13, eerste lid, van de WIA en de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet administratieve lastenverlichting en vereenvoudiging in sociale zekerheidswetten (Walvis) de wetgever niet beoogd heeft af te stappen van het loondervingsbeginsel. Naar het oordeel van de rechtbank leidt de door artikel 2, tweede lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen (hierna: Besluit) voorgeschreven wijze van berekening van het loon ertoe dat het loondervingsbeginsel wordt verlaten. Door met toepassing van die bepaling de in het kader van de WW opgelegde maatregel en de daaruit voortvloeiende lagere WW-uitkering te betrekken bij de loonberekening heeft in strijd met artikel 13, eerste lid, van de WIA niet het daadwerkelijk voor betrokkene gederfde verzekerde (arbeids)inkomen de grondslag gevormd voor de berekening van het dagloon. Naar het oordeel van de rechtbank had appellant artikel 2, tweede lid, van het Besluit in zoverre buiten toepassing moeten laten en had appellant met inachtneming van het loondervingsbeginsel voor de berekening van het (dag)loon in aanmerking moeten nemen de WW-uitkering, zoals die door betrokkene in de referteperiode zou zijn genoten, indien de maatregel niet zou zijn opgelegd.

3. In hoger beroep heeft appellant de juistheid van het oordeel van de rechtbank bestreden. Appellant is van mening dat de wetgever met Walvis het loondervingsbeginsel in zoverre heeft verlaten dat thans het in het verleden genoten loon bepalend is voor de hoogte van het dagloon. Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de WIA wordt het dagloon afgeleid van het loon dat de betrokkene verdiende in de referteperiode. Dit leidt ertoe dat in het dagloon alleen rekening wordt gehouden met de WW-uitkering die betrokkene daadwerkelijk heeft genoten en waarover dientengevolge premie is geheven. Voorts heeft appellant erop gewezen dat de wetgever een vereenvoudiging van de dagloonsystematiek heeft beoogd en dat daaruit tevens voortvloeit dat het dagloon wordt vastgesteld aan de hand van de gegevens die de inhoudingsplichtige aan het bestuursorgaan levert ten behoeve van de heffing van de premies sociale verzekeringen. Ter zitting heeft appellant gewezen op de uitspraak van de Raad van 25 februari 2010, LJN BL7239.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. De Raad stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat appellant bij de berekening van het dagloon is uitgegaan van het juiste bedrag dat betrokkene in de referteperiode heeft ontvangen aan WW-uitkering, inkomsten wegens beëindiging van zijn dienstbetrekking en een nabetaling en dat op basis van het Besluit een juiste berekening is gemaakt van het dagloon. Tussen partijen is uitsluitend in geschil of bij de berekening van het dagloon van betrokkene buiten aanmerking moet blijven de bij wijze van maatregel toegepaste verlaging van het uitkeringspercentage van de WW tot 35% gedurende 26 weken, waardoor betrokkene in de referteperiode gedurende 26 weken een lagere WW-uitkering heeft ontvangen.

4.2. Artikel 13, eerste lid, van de WIA en artikel 2, eerste en tweede lid, van het Besluit berusten op het uitgangspunt dat bij de vaststelling van het dagloon, waarnaar een uitkering op grond van de WIA wordt berekend, wordt uitgegaan van het loon dat de verzekerde volgens opgave van zijn werkgever daadwerkelijk heeft genoten dan wel de uitkering welke de verzekerde op grond van de Ziektewet, de WW, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de WIA of hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg heeft genoten in de voor hem van toepassing zijnde referteperiode.

4.3. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van Walvis komt naar voren dat het dagloon voortaan zou worden gebaseerd op het door de werknemer in een bepaalde periode daadwerkelijk ontvangen loon. Daarbij werd gestreefd naar een ingrijpende vereenvoudiging van de berekeningswijze, waarbij zo min mogelijk uitzonderingen zouden bestaan. Blijkens de Memorie van toelichting werd het, om ongewenste effecten te voorkomen, niettemin wenselijk geacht om in een (limitatief) aantal situaties rekening te houden met omstandigheden waarin de werknemer zich in de referteperiode bevond en die een negatieve invloed uitoefenen op de hoogte van het dagloon.

4.4. Naar het oordeel van de Raad heeft de wetgever met artikel 13, eerste lid, van de WIA en de nieuwe dagloonregels aan het loondervingsbeginsel in zoverre een andere invulling gegeven dat voor de berekening van het dagloon als uitgangspunt geldt het loon en de uitkering ingevolge de werknemersverzekeringen die de werknemer in de referteperiode feitelijk heeft ontvangen. In de Nota van Toelichting bij het Besluit is opgemerkt dat de uitkomst van deze hoofdregel voor de dagloonberekening een goede maatstaf vormt voor het als gevolg van het sociale risico gederfde loon. De regelgever heeft in het Besluit voor een aantal specifieke gevallen bijzondere bepalingen opgenomen om te voorkomen dat toepassing van deze hoofdregel leidt tot onwenselijke uitkomsten. In het Besluit zijn geen bijzondere bepalingen opgenomen voor de situatie waarin de WW-uitkering in de referteperiode bij wijze van maatregel tijdelijk gedeeltelijk of blijvend geheel is geweigerd. Uit de opmerking in de artikelsgewijze toelichting in de Nota van toelichting bij artikel 2, tweede lid, van het Besluit “Deze herleiding van de bruto-uitkering brengt met zich mee dat als betrokkene een uitkeringssanctie onderging deze sanctie kan doorwerken in latere uitkeringen.” blijkt dat de (materiële) regelgever zich bewust is geweest van het doorwerken van een opgelegde maatregel op basis van de WW in het dagloon van een uitkering ingevolge een andere wet. Uit deze opmerking blijkt tevens dat de regelgever deze doorwerking heeft voorzien en, naar moet worden aangenomen, tevens aanvaardbaar geacht. In de door appellant aangehaalde uitspraak van 25 februari 2010 heeft de Raad geoordeeld dat de hier relevante bepalingen van het Besluit binnen het kader van de WIA blijven en dat, mede gelet op de terughoudendheid die de rechter bij de toetsing van materiële wetgeving in acht dient te nemen, niet gezegd kan worden dat de regelgever niet in redelijkheid tot vaststelling van de regeling heeft kunnen besluiten. De Raad heeft in de aangevallen uitspraak en in hetgeen namens betrokkene is aangevoerd geen aanleiding gevonden op dit oordeel terug te komen.

4.5. Namens betrokkene is in het verweerschrift en ter zitting van de Raad het standpunt ingenomen dat het besluit van

31 januari 2008 mogelijk in strijd is met verdragsrechtelijke bepalingen. Desgevraagd heeft de gemachtigde van betrokkene geen enkel verdrag kunnen noemen waarmee de onderhavige dagloonberekening in strijd zou kunnen zijn. Naar het oordeel van de Raad is dit standpunt van betrokkene dermate ongespecificeerd dat geen aanleiding bestaat daarop in te gaan.

4.6. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad zal, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep tegen het besluit van 31 januari 2008 ongegrond verklaren.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 31 januari 2008 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en J.F. Bandringa en B.J. van der Net als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2010.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) C. de Blaeij.

JvS