Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN6003

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-08-2010
Datum publicatie
06-09-2010
Zaaknummer
09-4467 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering declaratie kosten van huishoudelijke hulp. De Raad acht verweerster gerechtigd om bij het declareren van kosten voor huishoudelijk werk met terugwerkende kracht eisen te stellen aan het bewijs dat feitelijk kosten zijn gemaakt. De Raad is van oordeel dat verweerster in het onderhavige geval gerede twijfel kon hebben of feitelijk betaling van deze kosten over de periode vóór 6 oktober 2008 heeft plaatsgevonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/4467 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 19 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 16 juli 2009, kenmerk BZ 48388, JZ/L80/2009 (hierna: bestreden besluit), genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: Wuv).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juli 2010. Voor appellante is daar verschenen mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Sittard, terwijl verweerster zich ter zitting heeft laten vertegenwoordigen door mr. A. den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, geboren in 1940, is ingevolge haar aanvraag van september 2005 uiteindelijk - in uitvoering van de uitspraak van de Raad tussen partijen van 17 januari 2008, nr. 07/1845 WUV - bij besluit van 20 november 2008 met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wuv gelijkgesteld met de vervolgde, onder toekenning ingaande 1 september 2005 van voorzieningen in extra kosten van huishoudelijke hulp en van deelname aan het maatschappelijk verkeer.

1.2. In december 2008 heeft appellante bij verweerster kosten van huishoudelijke hulp gedeclareerd vanaf 1 september 2005. Die declaratie is bij het, na bezwaar genomen, bestreden besluit gehonoreerd vanaf 6 oktober 2008, onder aftrek van de ingaande die datum door de gemeente Maastricht toegekende vergoeding, maar geweigerd over de periode vóór die datum op de grond dat onvoldoende is aangetoond dat over deze periode daadwerkelijk kosten zijn gemaakt. Hiertoe is in aanmerking genomen, kort samengevat, dat door de jaren heen in verschillende rapportages over appellante alleen is vermeld dat een zoon en schoondochter het zware huishoudelijke werk voor hun rekening nemen maar niet dat hiervoor door appellante een vergoeding is betaald.

1.3. In beroep is namens appellante een verklaring van zoon en schoondochter overgelegd, inhoudende dat zij bij appellante betaald huishoudelijk werk hebben verricht.

2. Naar aanleiding van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad als volgt.

2.1. Overeenkomstig de Raad eerder heeft geoordeeld in het kader van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 - uitspraak van 10 juni 2009, nr. 08/3622 WUBO - acht de Raad verweerster gerechtigd om bij het declareren van kosten voor huishoudelijk werk met terugwerkende kracht eisen te stellen aan het bewijs dat feitelijk kosten zijn gemaakt.

De Raad is van oordeel dat verweerster in het onderhavige geval gerede twijfel kon hebben of feitelijk betaling van deze kosten over de periode vóór 6 oktober 2008 heeft plaatsgevonden. Hierbij heeft verweerster terecht gewezen op hetgeen in verschillende, onder de gedingstukken aanwezige (sociale en medische) rapportages over de situatie van appellante in de jaren vóór 2008 is vermeld. Het is de Raad opgevallen dat eenmaal zelfs uitdrukkelijk is vermeld dat géén betaalde huishoudelijke hulp aanwezig was. Onder deze omstandigheden kan, mede gelet op de nauwe familierelatie, geen doorslaggevend gewicht worden toegekend aan de in beroep nog overgelegde verklaring van de zoon en schoondochter van appellante.

3. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat het ingestelde beroep ongegrond dient te worden verklaard.

4. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.L.C. Hermans als leden, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2010.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M. Lammerse.

HD