Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN6002

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-08-2010
Datum publicatie
06-09-2010
Zaaknummer
09-4288 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De Raad acht de gestelde ernstige mishandeling van appellant door extremisten voldoende aannemelijk. Derhalve is in dit opzicht sprake van een te aanvaarden calamiteit als bedoeld in artikel 2, eerste lid onder f, van de Wubo. Wat de gestelde beschietingen tijdens het verblijf in het 10e Bataljon betreft, ziet de Raad in de overgelegde getuigenverklaringen onvoldoende bevestiging dat appellant hiermee persoonlijk direct geconfronteerd is geweest. Beroep gegrond. Vernietiging besluit. Nieuw besluit op bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/4288 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 19 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 30 juni 2009, kenmerk BZ 8805, JZ/A60/2009 (hierna: bestreden besluit), genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: Wubo).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, na verwijzing door de enkelvoudige kamer, plaatsgevonden op 8 juli 2010. Voor appellant is daar verschenen J.T. Latuhihin te Waalwijk als gemachtigde, terwijl verweerster zich ter zitting heeft laten vertegenwoordigen door mr. A. den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Blijkens de gedingstukken heeft appellant, geboren in 1940 in het voormalige Nederlands-Indië, in oktober 2003 bij verweerster een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo en om toekenning van, onder meer, een periodieke uitkering.

Die aanvraag heeft verweerster afgewezen bij besluit van 30 juli 2004, op de grond dat van de door appellant gestelde aanwezigheid bij de verkrachting van zijn moeder door een Japanner en voorts van de gestelde gedwongen aanwezigheid bij de moord op een persoon in een brandende kampong door Japanners onvoldoende bevestiging is verkregen, terwijl het achteraf geconfronteerd worden met de gevolgen van mishandeling van zijn moeder niet valt onder de toepassing van de Wubo. Tegen dat besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt, zodat dit tussen partijen rechtens onaantastbaar is geworden.

1.2. Appellant heeft nadien meerdere malen aan verweerster verzocht om het onder 1.1 genoemde besluit te herzien en hem alsnog te erkennen als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo, welke verzoeken telkens met toepassing van artikel 61, derde lid, van de Wubo zijn afgewezen op de grond dat geen relevante nieuwe gegevens naar voren zijn gekomen. Ook deze besluiten zijn in rechte onaantastbaar geworden.

1.3. In juli 2008 heeft appellant verweerster nogmaals verzocht om hem alsnog te erkennen als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo. Hierbij is, naast herhaling van de eerder al genoemde gebeurtenissen, voor het eerst aangevoerd dat appellant samen met zijn broer [H.] tijdens de na-oorlogse Bersiap-periode in het toenmalige Batavia door extremisten ernstig is mishandeld waarna hij geruime tijd is verpleegd in de ziekenboeg van het 10e Bataljon. Voorts is als nieuwe omstandigheid aangevoerd dat hij tijdens het verblijf in het 10e Bataljon beschietingen heeft meegemaakt.

1.4. Deze aanvraag heeft verweerster afgewezen bij besluit van 3 december 2008, op de grond dat van deze nieuw gestelde gebeurtenissen buiten de eigen verklaring van appellant geen bevestiging is verkregen.

In bezwaar hiertegen heeft appellant getuigenverklaringen van zijn broer [H.], geboren in 1929, en van een destijds 7-jarige lotgenoot, [R.C.] overgelegd. Verder is aangegeven dat deze gebeurtenissen eerder niet zijn vermeld omdat men zich toen had geconcentreerd op, als veel ernstiger beschouwde, gebeurtenissen tijdens de jaren van de Japanse bezetting en men niet besefte dat ook na-oorlogse gebeurtenissen een rol zouden kunnen spelen.

Bij het bestreden besluit heeft verweerster het bezwaar niettemin ongegrond verklaard. Overwogen is dat de nader aangedragen gebeurtenissen onvoldoende aannemelijk zijn te achten, nu die op zichzelf toch ernstige gebeurtenissen bij eerdere aanvragen noch door appellant noch door zijn broer zijn genoemd.

1.5. In beroep is namens appellant uitvoerig en met klem stelling genomen tegen de betekenis die verweerster heeft toegekend aan het niet eerder vermelden van de nu aangedragen gebeurtenissen.

2. De Raad dient de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Hiertoe wordt overwogen als volgt.

2.1. Vooropgesteld wordt dat de onderhavige aanvraag zich zodanig heeft toegespitst op de voor het eerst aangevoerde gebeurtenissen, die naar hun aard losstaan van de eerder aangedragen gebeurtenissen, dat deze als een hernieuwde aanvraag dient te worden aangemerkt. Verweerster heeft deze gebeurtenissen, in overeenstemming hiermee, ook ten gronde beoordeeld. Dit brengt mee dat het bestreden besluit ten volle door de Raad dient te worden getoetst.

2.2. Anders dan verweerster ziet de Raad in dit geval onvoldoende aanleiding om reeds van doorslaggevende betekenis te achten dat de nu aangedragen gebeurtenissen niet al vanaf de eerste aanvraag zijn genoemd. Gelet op hetgeen zowel door appellant als zijn broer uitvoerig is beschreven oordeelt de Raad niet ongeloofwaardig dat hierbij misverstanden over het toepassingsbereik van de Wubo een rol hebben gespeeld, en wel in zodanige mate dat ook de huidige gemachtigde, die bij de eerdere aanvragen betrokken was, van onjuiste uitgangspunten is uitgegaan.

Van groot gewicht is verder dat in de verklaring van broer [H.] een gedetailleerde beschrijving van de mishandeling door extremisten en de gevolgen daarvan is opgenomen en dat in de verklaring van [R.C.] gedetailleerd het verblijf van appellant als zwaar gewonde in de ziekenboeg van het 10e Bataljon is vermeld. Gelet op één en ander acht de Raad de gestelde ernstige mishandeling van appellant door extremisten voldoende aannemelijk. Derhalve is in dit opzicht sprake van een te aanvaarden calamiteit als bedoeld in artikel 2, eerste lid onder f, van de Wubo.

Wat de gestelde beschietingen tijdens het verblijf in het 10e Bataljon betreft, ziet de Raad in de overgelegde getuigenverklaringen onvoldoende bevestiging dat appellant hiermee persoonlijk direct geconfronteerd is geweest.

3. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat bij het bestreden besluit ten onrechte de gestelde mishandeling van appellant niet als calamiteit in de zin van de Wubo is aanvaard. Het bestreden besluit berust derhalve in zoverre op een gebrekkige motivering en kan daarom, wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), niet in rechte standhouden.

4. De Raad ziet, ten slotte, aanleiding verweerster te veroordelen in de kosten van appellant tot een bedrag van € 21,68 aan reiskosten van zijn gemachtigde.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat verweerster een nieuw besluit zal nemen met in achtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt verweerster in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 21,68;

Bepaalt dat verweerster aan appellant het door hem betaalde griffierecht van € 35,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.L.C. Hermans als leden, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2010.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M. Lammerse.

HD