Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN6001

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-08-2010
Datum publicatie
07-09-2010
Zaaknummer
09-1201 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling dagloon IVA-uitkering op grond van de WIA. Daadwerkelijk genoten loon in referteperiode. Het Uwv heeft bij de berekening van het dagloon ten onrechte artikel 24, tweede lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen toegepast. Bij de berekening van het dagloon moet worden uitgegaan van de hoofdregel, zoals neergelegd in artikel 3, eerste lid, van het Besluit. Volgens de gedingstukken had appellant recht op 8% vakantietoeslag, zodat het Uwv bij de berekening van dit dagloon conform artikel 3, eerste lid, van het Besluit met deze vakantietoeslag alsnog rekening moet houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/1201 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 16 januari 2009, 07/1494 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J. Klinkert, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juli 2010, waar appellant niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door L.A.P. ter Laak, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 16 oktober 2007 heeft het Uwv appellant vanaf 8 oktober 2007 een IVA-uitkering toegekend. Bij de bepaling van de hoogte van deze uitkering is het Uwv uitgegaan van een dagloon van € 106,27.

1.2. Bij besluit van 30 november 2007 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 16 oktober 2007 in zoverre gegrond verklaard, dat zijn dagloon moet worden aangepast naar € 106,81, dit in verband met een gemaakte rekenfout. Voor het overige zijn de bezwaren ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv in aanmerking genomen het loon, waaronder begrepen het vakantiegeld, dat appellant in het refertejaar

(1 juli 2004 tot 1 juli 2005) daadwerkelijk heeft genoten.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen over de vergoeding van proceskosten en griffierecht - het beroep van appellant tegen het besluit van 30 november 2007 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Hoewel uit de door appellant in beroep overgelegde arbeidsovereenkomst en verklaring van [naam assuratiekantoor] (hierna: de ex-werkgever) blijkt dat appellant recht had op een vakantietoeslag van 8% en in zoverre de beslissing op bezwaar niet op een deugdelijke motivering berust, komt de rechtbank tot het oordeel dat nu de referteperiode geheel ligt vóór 1 januari 2007 terecht artikel 24, tweede lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen (hierna: Besluit) is toegepast. De rechtbank stelt vervolgens vast dat van het betalen of verrekenen van vakantiegeld in het refertejaar niet is gebleken noch dat dit vakantiegeld in het refertejaar aan appellant ter beschikking is gesteld of rentedragend is geworden. Naar het oordeel van de rechtbank is derhalve niet komen vast te staan dat appellant een bedrag aan vakantiegeld van € 2.230,04 in het refertejaar heeft genoten, zodat het Uwv terecht bij de dagloonvaststelling dit bedrag buiten beschouwing heeft gelaten.

3. Appellant heeft deze uitspraak in hoger beroep bestreden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat de referteperiode voor de vaststelling van het dagloon in dit geval loopt van

1 juli 2004 tot 1 juli 2005. In deze referteperiode heeft appellant volgens de opgave van zijn ex-werkgever een loon genoten van totaal € 27.878,65. In dit bedrag is begrepen, althans dat was het standpunt van het Uwv ten tijde van het nemen van het besluit van 30 november 2007, een door de ex-werkgever in de referteperiode uitbetaald bedrag aan vakantiegeld.

4.2. Zoals uit artikel 13, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) en artikel 2, eerste lid, van het Besluit blijkt, is uitgangspunt bij de vaststelling van het dagloon, waarnaar een WIA-uitkering wordt berekend, het loon dat de verzekerde volgens opgave van zijn werkgever daadwerkelijk heeft genoten. De hoofdregel voor de berekening van het dagloon is neergelegd in artikel 3, eerste lid, van het Besluit. Op grond van artikel 3, eerste lid, voor zover hier van belang, wordt, in afwijking van bovengenoemd uitgangspunt, de opgebouwde vakantiebijslag in het dagloon opgenomen. Daartoe worden de bedragen aan vakantiebijslag die de werknemer onder die titel in de volledige aangiftetijdvakken in het refertejaar heeft genoten eerst in mindering gebracht op het totale in dat jaar genoten loon. Ingevolge artikel 24, tweede lid, van het Besluit, voor zover hier van belang, blijft, indien de werknemer in de aangiftetijdvakken in refertejaren gelegen vóór

1 januari 2007 loon heeft genoten, waarin bedragen aan vakantiebijslag zijn opgenomen, artikel 3, eerste lid, van het Besluit voor de dagloonberekening buiten aanmerking. Het dagloon wordt dan berekend door het loon dat de werknemer in het refertejaar heeft genoten te delen door 261.

4.3. Het Uwv heeft in de situatie van appellant de overgangsbepaling van artikel 24, tweede lid, van het Besluit van toepassing geacht, op de grond dat het refertejaar geheel is gelegen vóór 1 januari 2007 en appellant in dat jaar loon heeft genoten waarin vakantiebijslag is begrepen. Gelet op het betoog van het Uwv ter zitting van de Raad dat aan de beslissing op bezwaar ten grondslag ligt dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat vakantietoeslag in de referteperiode is genoten, moet de Raad vaststellen dat het Uwv bovenstaand standpunt in hoger beroep heeft verlaten.

4.4. Dit leidt de Raad - anders dan de rechtbank - tot het oordeel dat het Uwv bij de berekening van het dagloon ten onrechte artikel 24, tweede lid, van het Besluit heeft toegepast. Bij de berekening van het dagloon moet in onderhavige zaak worden uitgegaan van de hoofdregel, zoals neergelegd in artikel 3, eerste lid, van het Besluit. De Raad stelt daarbij vast dat volgens de gedingstukken appellant recht had op 8% vakantietoeslag, zodat het Uwv bij de berekening van dit dagloon conform artikel 3, eerste lid, van het Besluit met deze vakantietoeslag alsnog rekening moet houden.

4.5. Het onder 4.4 weergegeven oordeel brengt mee dat het hoger beroep slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, voor zover aangevochten.

5. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,-- wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Draagt het Uwv op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 322,--;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 107,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en J.F. Bandringa en B.J. van der Net als leden in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2010.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) C. de Blaeij.

JvS