Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN5926

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-08-2010
Datum publicatie
06-09-2010
Zaaknummer
09-2366 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep ongegrond verklaard. Op een expliciete vraag bij een uitgebreid medisch onderzoek door de arts N.J.W. Westerhof in 1992 heeft appellant geantwoord dat hij niet seksueel of lichamelijk is misbruikt. Onder die omstandigheden acht ook de Raad het onvoldoende aannemelijk dat sprake is geweest van gebeurtenissen als omschreven in artikel 2, eerste lid, van de Wubo en heeft verweerster medische verificatie hier achterwege kunnen laten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/2366 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 19 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 17 april 2009, kenmerk BZ 8487, JZ/R70/2009, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo), verder: bestreden besluit.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juli 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Sittard. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren in 1932, heeft in 1991 een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo en toekenning van een periodieke uitkering als zodanig. Hierop is door verweerster afwijzend beslist. Aanvaard is dat appellant oorlogsgebeurtenissen heeft meegemaakt in de zin van de Wubo, maar geoordeeld is dat deze niet hebben geleid tot invaliditeit in de zin van die wet. Na bezwaar is die afwijzing gehandhaafd bij besluit van 2 april 1993. Tegen dit besluit is geen beroep ingesteld.

1.2. In september 2001 heeft appellant opnieuw een aanvraag ingediend. Na medisch onderzoek is hierop bij besluit van

17 april 2002 afwijzend beslist op de grond dat geen sprake was van invaliditeit in de zin van de Wubo. Tegen dit besluit zijn geen rechts-middelen aangewend.

1.3. In december 2007 heeft appellant wederom een aanvraag ingediend, waarbij een psychiatrisch rapport is overgelegd. Mede op grond van nadere advisering door onder meer de geneeskundig adviseur A.J. Maas van de PUR is hierop door verweerster bij besluit van 23 mei 2008 opnieuw afwijzend beslist. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2. De Raad moet antwoord geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte stand kan houden en overweegt daartoe als volgt.

2.1. Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wubo wordt - voor zover hier van belang - onder burger-oorlogsslachtoffer verstaan degene die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen ten gevolge van met de krijgsverrich-tingen direct verbonden handelingen of omstandigheden, dan wel ten gevolge van handelingen of maatregelen welke door of namens de vijandelijke bezettende macht tegen hem werden gericht of ten gevolge van confrontatie op jeugdige leeftijd met extreem geweld tegen derden door of namens de vijandelijk bezettende macht.

2.2. Appellant heeft bij de thans in geding zijnde aanvraag als nieuwe gebeurtenissen naar voren gebracht dat hij op ongeveer 10-jarige leeftijd seksueel is betast door een Japanse soldaat en op 13-jarige leeftijd seksueel is betast door een oudere man in de slaapzaal van het mannenkamp waar hij verbleef en dat dit voor hem ernstige traumatische ervaringen zijn geweest. Verweerster heeft het standpunt ingenomen dat deze gebeurtenissen niet kunnen worden meegewogen bij de beoordeling of sprake is van invaliditeit in de zin van de Wubo. Gezien de tegenstrijdige verklaringen van appellant in de loop van de tijd zijn er volgens verweerster onvoldoende aanknopingspunten aanwezig om een geneeskundig adviseur een medisch onderzoek te laten verrichten ter nadere verificatie van het gestelde seksueel misbruik. Voor het overige achtte verweerster geen nieuwe feiten of omstandig-heden aanwezig die tot een ander oordeel leidden dan bij de eerdere besluiten.

2.3. De Raad kan verweerster hierin volgen. In een gesprek ten behoeve van het sociaal rapport op 6 augustus 1991 en bij meerdere medische onderzoeken sinds 1991 zijn deze gebeurtenissen door appellant niet genoemd. Op een expliciete vraag bij een uitgebreid medisch onderzoek door de arts N.J.W. Westerhof in 1992 heeft appellant geantwoord dat hij niet seksueel of lichamelijk is misbruikt. Onder die omstandigheden acht ook de Raad het onvoldoende aannemelijk dat sprake is geweest van gebeurtenissen als omschreven onder 2.1 en heeft verweerster medische verificatie hier achterwege kunnen laten.

2.4. Gezien het vorenstaande dient het beroep van appellant ongegrond te worden verklaard.

3. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.L.C. Hermans als leden, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2010.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M. Lammerse.

HD