Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN5921

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-08-2010
Datum publicatie
06-09-2010
Zaaknummer
09-3914 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep ongegrond verklaard. Er zijn met betrekking tot de oorlogservaringen van appellant geen nieuwe gegevens ingediend die verweerster ertoe hadden moeten leiden om alsnog tot vervolging in de zin van de Wuv te concluderen of tot gelijkstelling met de vervolgde over te gaan. Pas als sprake is van (gelijkstelling met) vervolging is een medische beoordeling van belang om te bepalen of sprake is van een causaal verband tussen die vervolging en de ziekten op lichamelijk en/of psychisch gebied.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/3914 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellant], wonende te [woonplaats], Duitsland (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 26 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 18 juni 2009, kenmerk BZ 48231, JZ/B60/2009 ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: Wuv), verder: bestreden besluit.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juli 2010. Appellant is niet verschenen, zoals tevoren was gemeld. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren in 1940, heeft in 1990 een aanvraag voor een periodieke uitkering op grond van de Wuv ingediend. Bij besluit van 22 januari 1992 is hierop afwijzend beslist, omdat niet was aangetoond of aannemelijk was gemaakt dat er in de jaren 1940-1945 op enig moment sprake is geweest van vrijheidsberoving en daarmee vervolging in de zin van de Wuv op grond van ras, geloof of wereldbeschouwing, of van onderduik in de zin van de Wuv om te ontkomen aan dergelijke vrijheidsberoving. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 juni 1993. Verweerster heeft daarbij geen termen aanwezig geacht gebruik te maken van haar bevoegdheid op grond van artikel 3, tweede lid (oud), van de Wuv om appellant gelijk te stellen met een vervolgde. Het tegen het besluit van 29 juni 1993 ingestelde beroep is bij uitspraak van deze Raad van 8 december 1994 ongegrond verklaard. Hierbij heeft de Raad overwogen:

” Op grond van zijn uitspraak van 18 juni 1993, geregistreerd onder nummer WUV 1992/159, in het geding tussen

[naam moeder], de moeder van klager, en verweerder, staat vast dat de moeder van klager geen vervolging op grond van artikel 2 van de Wet heeft ondergaan en dat zij niet met een vervolgde is gelijkgesteld.

Deze uitspraak heeft ook ten aanzien van klager betekenis omdat klager gedurende de oorlogsjaren 1940-1945 bij zijn moeder heeft verbleven.

In casu zijn er geen gegevens naar voren gekomen, die erop wijzen dat klager, anders dan zijn moeder, vervolging in de zin van artikel 2 van de Wet heeft ondergaan.

De Raad is niet gebleken van feiten en/of omstandigheden die ertoe zouden leiden dat het besluit van verweerder om klager niet met een vervolgde gelijk te stellen, in rechte geen stand zou kunnen houden.”

1.2. Een verzoek om herziening van het onder 1.1 genoemde besluit van 29 juni 1993 heeft verweerster bij besluit van

10 november 1997 afgewezen op de grond dat er geen relevante nieuwe feiten of gegevens zijn vermeld en er ook overigens geen redenen zijn de eerder gegeven beslissing te herzien. Deze afwijzing is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

22 september 1998. Het door appellant tegen dit besluit ingestelde beroep is bij uitspraak van deze Raad van

4 november 1999 ongegrond verklaard.

1.3. In augustus 2008 heeft appellant opnieuw verzocht om herziening van de onder 1.1 en 1.2 genoemde besluiten op de grond dat uit een in mei 2008 uitgevoerd neurologisch- psychiatrisch onderzoek door dr. med. K. Euteneuer zou blijken dat zijn handicaps het gevolg zijn van de door hem ondergane vervolging in 1940-1945 en dat in 1977 duidelijk een knik in zijn wijze van functioneren heeft plaatsgevonden als gevolg van zijn oorlogservaringen. Hierop is afwijzend beslist bij besluit van 27 oktober 2008, welk besluit na bezwaar is gehandhaafd bij het in dit geding bestreden besluit.

2. Naar aanleiding van hetgeen door partijen in beroep naar voren is gebracht, overweegt de Raad als volgt.

2.1. Op grond van het bepaalde in artikel 61, tweede lid, van de Wuv is verweerster bevoegd op een daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door haar gegeven besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien. Deze bevoegdheid is van discretionaire aard, hetgeen meebrengt dat de Raad het bestreden besluit met terughoudendheid moet toetsen.

2.2. Bij een verzoek om herziening als waarvan hier sprake is staat centraal de vraag of appellant bij zijn verzoek om herziening dan wel in bezwaar nieuwe feiten of gegevens heeft aangevoerd die verweerster bij de besluitvorming over de eerdere aanvragen niet bekend waren en waarin verweerster aanleiding had moeten vinden om de eerder genomen besluiten te herzien.

2.3. Van dergelijke gegevens is de Raad, evenals verweerster, niet gebleken. In het door appellant ingediende medisch rapport wordt nader inzicht gegeven in de aandoeningen van appellant op lichamelijk en psychisch gebied en wordt op grond van bij de anamnese verkregen informatie gesteld dat deze een gevolg zijn van zijn oorlogservaringen in

1940-1945. Er zijn echter met betrekking tot de oorlogservaringen van appellant geen nieuwe gegevens ingediend die verweerster ertoe hadden moeten leiden om alsnog tot vervolging in de zin van de Wuv te concluderen of tot gelijkstelling met de vervolgde over te gaan. Pas als sprake is van (gelijkstelling met) vervolging is een medische beoordeling van belang om te bepalen of sprake is van een causaal verband tussen die vervolging en de ziekten op lichamelijk en/of psychisch gebied.

3. Gezien het vorenstaande dient het beroep van appellant ongegrond te worden verklaard.

4. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2010.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD