Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN5838

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-08-2010
Datum publicatie
02-09-2010
Zaaknummer
09-6184 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplegging boete van € 250,--omdat betrokkene zijn ingevolge de Wajong rustende inlichtingenplicht niet is nagekomen. Gelet op alle omstandigheden van het geval, is een op te leggen boete van € 100,-- evenredig. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat de behandelingsperiode, gezien het vorenstaande, minder dan de helft is van de periode waarvan appellant uitging. Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad zelf in de zaak voorzien en betrokkene een boete opleggen van € 100,--.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/6184 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 5 november 2009, 09/217 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene).

Datum uitspraak: 27 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend en een krantenartikel ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2010. Appellant was vertegenwoordigd door mr. C. Roele. Betrokkene is in persoon verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 21 juli 2008 (hierna: het boetebesluit) heeft appellant aan betrokkene een boete van € 250,-- opgelegd op de grond dat betrokkene zijn ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) rustende inlichtingenplicht niet is nagekomen.

1.2. Bij brief van 27 augustus 2008 heeft betrokkene tegen het besluit van 21 juli 2007 bezwaar gemaakt.

1.3. Bij besluit van 1 december 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft appellant - voor zover in hoger beroep van belang - het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 21 juli 2008 ongegrond verklaard.

2. Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij vindt dat hij wel aan zijn inlichtingenplicht heeft voldaan, nu hij op 28 juni 2005 en op 8 augustus 2006 uitvoerige telefoongesprekken met medewerkers van appellant heeft gevoerd en daarin de nodige inlichtingen heeft gegeven. Betrokkene vindt daarom dat de boete ten onrechte is opgelegd.

3. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit, voor zover daarin het besluit tot oplegging van de boete is gehandhaafd, vernietigd wegens strijd met artikel 40 van de Wajong. Nu betrokkene consequent en consistent heeft verklaard dat hij in juni 2005 appellant telefonisch heeft gemeld dat hij zou gaan samenwonen, acht de rechtbank aannemelijk dat betrokkene aan zijn inlichtingenplicht heeft voldaan. De rechtbank heeft voorts zelf in de zaak voorzien door het besluit van 21 juli 2008 te herroepen.

4.1. In het hoger beroepschrift stelt appellant het hiervoor in overweging 3 weergegeven oordeel van de rechtbank onbegrijpelijk te achten. Appellant heeft dit standpunt in het hoger beroepschrift, waar betrokkene is aangeduid als gedaagde en appellant als Uwv, als volgt uitgewerkt:

“Immers uit niets blijkt dat gedaagde melding heeft gedaan van het feit dat hij is gaan samenwonen. Hoewel gedaagde stelt dat hij Uwv telefonisch hieromtrent heeft ingelicht is er in zijn dossier geen telefoonnotitie aangetroffen. Ook uit de historische gegevens van ons Klanten Contact Centrum waar alle inkomende telefoongesprekken worden geregistreerd blijkt niet dat gedaagde in de periode rondom zijn gewijzigde leefsituatie (1 juli 2005) contact heeft gehad met het Uwv. Gedaagde heeft ter onderbouwing van zijn stelling ook geen telefoongegevens overgelegd waaruit ten minste de momenten van het telefonisch contact aangetoond zou kunnen worden. Daarbij wensen wij nog op te merken dat het feit dat er sprake is geweest van telefonisch contact er nog niet gesteld kan worden dat gedaagde ook daadwerkelijk ons op de hoogte heeft gesteld van zijn gewijzigde leefsituatie”.

4.2. Betrokkene heeft zich ook in hoger beroep op het standpunt gesteld dat van schending van de inlichtingenplicht geen sprake is. Hij heeft daarbij in het verweerschrift onder meer het volgende gesteld:

“Om aan te tonen dat mijn cliëntendossier en de administratie van het KCC onjuistheden vertonen die te wijten zijn aan de nalatigheid van de medewerkers van het KCC, heb ik ter zitting van 8 september 2009 onder meer verwezen naar een telefoonnotitie van een gesprek dat ik met het KCC heb gevoerd. Het betreft een notitie van een telefoongesprek dat ik op 8 augustus 2006 heb gevoerd met een medewerkster van het KCC te Assen om veranderingen in mijn leefsituatie door te geven. In dat gesprek heb ik aangegeven dat ik op korte termijn zou gaan trouwen en dat mijn aanstaande, [naam aanstaande], in verwachting was van ons eerste kind. Deze veranderingen in mijn leefsituatie wilde ik zonodig laten registreren. Tevens wilde ik weten of, en zo ja in welke mate deze veranderingen mijn positie als uitkeringsgerechtigde zouden beïnvloeden.

Als antwoord kreeg ik te horen dat deze veranderingen mijn status en mijn uitkering niet zouden wijzigen. Verder werd mij verteld dat er van mij geen gegevenswijzigingen werden verwacht na de voltrekking van mijn huwelijk en de geboorte van mijn kind. Aan het einde van het gesprek wees de medewerkster mij op de mogelijkheid om een toeslag aan te vragen.

In de notitie die de medewerkster van dit bijna 7 minuten durende gesprek heeft gemaakt is slechts de laatste door haar gemaakte opmerking terug te vinden. Dat het gesprek over mijn huwelijk ging valt op te maken uit de door haar en niet door mij geformuleerde vraag en het door haar ingevulde antwoord daarop dat gericht is op gehuwden.

Maar van het gesprek zelf en mijn intentie om mijn dossier volledig te maken is niets terug te vinden.”

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Ingevolge artikel 62 van de Wajong is de jonggehandicapte verplicht aan appellant, op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten of omstandigheden, waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, de hoogte van de uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering of op het bedrag van de uitkering, dat wordt betaald.

5.2. In artikel 40 van de Wajong, voor zover hier van belang, is bepaald dat appellant de jonggehandicapte een boete oplegt van ten hoogste € 2.269,-- indien hij de verplichting, bedoeld in artikel 62 van de Wajong, niet of niet behoorlijk is nagekomen. De hoogte van de boete wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de jonggehandicapte de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert. Van het opleggen van een boete wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan appellant besluiten van het opleggen van een boete af te zien.

5.3. Met betrekking tot de vraag of appellant zich in dit geval terecht bevoegd heeft geacht tot het opleggen van een boete overweegt de Raad als volgt.

5.3.1. Met appellant is de Raad van oordeel dat niet is komen vast te staan dat betrokkene in juni 2005 heeft voldaan aan de op hem rustende wettelijke inlichtingenplicht. Er bestaat geen enkele zekerheid dat betrokkene toen daadwerkelijk heeft gesproken met een medewerker van appellant en, zo ja, wat de inhoud van dat gesprek dan is geweest. Het risico voor de keuze om niet schriftelijk te communiceren ligt geheel bij betrokkene en het moet er dan ook voor worden gehouden dat betrokkene op dat moment niet heeft voldaan aan zijn inlichtingenplicht.

5.3.2. Dat ligt naar het oordeel van de Raad echter anders met betrekking tot het telefoongesprek dat betrokkene op 8 augustus 2006 met een medewerkster van het KCC heeft gevoerd. Appellant betwist niet dat dit gesprek heeft plaatsgevonden. Betrokkene heeft in bezwaar, beroep en hoger beroep over de aanleiding, de inhoud en het verloop van dat gesprek een uitvoerige en met de nodige details doorspekte schildering gegeven. Ter zitting van de Raad is namens appellant desgevraagd verklaard dat niet met zekerheid vaststaat dat de lezing van dat gesprek van betrokkene onjuist is en dat niet vaststaat dat betrokkene tijdens dat gesprek, dat volgens betrokkene ongeveer zeven minuten duurde, de nodige inlichtingen heeft verschaft.

5.4. Uit hetgeen hiervoor onder 5.3.1 tot en met 5.3.2 is overwogen volgt dat niet is komen vast te staan dat betrokkene na 8 augustus 2006 niet heeft voldaan aan zijn inlichtingenplicht. Nu appellant de hoogte van de boete heeft afgestemd op het benadelingsbedrag dat volgens hem door toedoen van betrokkene ten onrechte is betaald over de hele periode van 1 juli 2005 tot en met 30 november 2007, acht de Raad, mede gelet op alle omstandigheden van het geval, een op te leggen boete van € 100,-- evenredig. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat de behandelingsperiode, gezien het vorenstaande, minder dan de helft is van de periode waarvan appellant uitging.

6. Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het boetebesluit van 21 juli 2008 is herroepen, dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad zelf in de zaak voorzien en betrokkene een boete opleggen van € 100,--.

7. Ten slotte ziet de Raad aanleiding om appellant te veroordelen in de kosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 17,-- aan reiskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het boetebesluit van 21 juli 2008 is herroepen;

Legt betrokkene een boete op van € 100,-- en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het herroepen besluit van 21 juli 2008;

Veroordeelt het Uwv in de kosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 17,--.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2010.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M.A. van Amerongen.

EV