Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN5821

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-08-2010
Datum publicatie
02-09-2010
Zaaknummer
09-4203 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bezwaar terecht niet ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding. Een brief inhoudende weigering van een ZW-uitkering is onmiskenbaar gericht op rechtsgevolg. Het ontbreken van een rechtsmiddelenclausule leidt volgens vaste jurisprudentie op zichzelf niet tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. Geen bijzondere omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/4203 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 8 juli 2009, 08/6560 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. J. de Visser, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. drs. De Visser. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. C.L. Schuren.

II. OVERWEGINGEN

1. Het Uwv heeft appellant bij besluit van 7 april 2008 geweigerd ziekengeld uit te betalen op de grond dat appellant door zelf ontslag te nemen een onnodig beroep heeft gedaan op een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW). Bij besluit van 24 juli 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het tegen het besluit van 7 april 2008 gemaakte bezwaar wegens onverschoonbare termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant – waarin hij heeft aangevoerd dat hij de tweede pagina van de brief van 7 april 2008 en daarmee de rechtsmiddelenclausule niet heeft ontvangen en in de eerste pagina van deze brief geen besluit kan worden gelezen omdat de aanhef en inhoud als zodanig niet als een besluit herkenbaar zijn – ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat het ontbreken van een rechtsmiddelenclausule volgens vaste jurisprudentie op zichzelf niet tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding leidt. De brief van 7 april 2008 blinkt volgens de rechtbank weliswaar niet uit in helderheid, maar de onduidelijkheid reikt niet zo ver dat het besluitkarakter niet meer zou zijn te onderkennen. Ook uit de aanhef van de brief blijkt zonder meer het besluitkarakter nu de oplegging van een maatregel immers inhoudt dat een rechtshandeling plaatsvindt ten nadele van het recht op uitkering van appellant. Appellant had derhalve moeten onderkennen dat de brief van 7 april 2008 een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) behelsde. Er is dan ook geen aanleiding de termijnoverschrijding wegens bijzondere omstandigheden verschoonbaar te achten, aldus de rechtbank.

3. In hoger beroep heeft appellant zich – kort weergegeven – op het standpunt gesteld dat wel degelijk sprake is van bijkomstige en/of bijzondere omstandigheden die de termijnoverschrijding verschoonbaar doen zijn. In de jurisprudentie die ziet op de verschoonbaarheid van een termijnoverschrijding is geen enkele parallel te trekken met de onderhavige zaak. De vraag of een ‘obscuur libel’ als de brief van 7 april 2008 een bezwaartermijn kent wordt in de jurisprudentie niet beantwoord. Ten slotte heeft appellant aangevoerd dat de brief van 7 april 2008 niet voldoet aan de eisen die de wet aan besluiten stelt.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat de brief van 7 april 2008 als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb dient te worden aangemerkt. Daartoe overweegt de Raad dat deze brief een beslissing inhoudt in de vorm van een weigering van een ZW-uitkering en daarmee onmiskenbaar gericht is op rechtsgevolg.

4.3. Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Nu appellant eerst bij brief van 9 juni 2008, door het Uwv ontvangen op 10 juni 2008, bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 7 april 2008, moet met de rechtbank worden geoordeeld dat het bezwaar niet tijdig is ingediend.

4.4. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of er aanleiding bestaat om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond van termijnoverschrijding achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het bezwaarschrift in verzuim is geweest. In hetgeen appellant daartoe in hoger beroep heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding om in het onderhavige geval de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Het beroep op de jurisprudentie om aan te tonen dat daarin geen overeenkomsten zijn te vinden met de onderhavige situatie en dat derhalve sprake is van een bijzonder geval, acht de Raad in het licht van het bovenstaande onvoldoende.

4.5. Hetgeen onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen leidt tot het oordeel dat het Uwv op goede gronden het bezwaar van appellant tegen het besluit van 7 april 2008 niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) R.L. Venneman.

TM