Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN5660

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-08-2010
Datum publicatie
02-09-2010
Zaaknummer
08-254 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering door appellant gestelde schade in verband met de overhevelingstoeslag en de spaarloonregeling te vergoeden. De Raad oordeelt dat er geen schade is geleden en er te weinig reële grond bestaat om aan te nemen dat er een direct causaal bestaat tussen het door appellant gestelde niet kunnen deelnemen aan laatstbedoelde regeling en het vernietigde, dus onrechtmatige, besluit van het Uwv. De vordering met betrekking tot de te veel ingehouden premies in verband met de nabetaling van de WAO-uitkering is door betaling van de toegekende vergoeding gekweten. Onvoldoende aangetoond dat met betrekking tot de hier in geding zijnde schadeposten meer advieskosten zijn gemaakt dan al door het Uwv zijn vergoed. Overschrijding redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/254 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 5 december 2007, 07/641 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld nader aangevuld bij brief van 7 februari 2008.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het Uwv heeft een brief van 19 juni 2008 aan de Raad gezonden vergezeld van een brief van 5 juni 2008 gericht aan appellant met betrekking tot te veel betaalde ziekenfondspremie.

Appellant heeft verschillende brieven met bijlagen in het geding gebracht, waaronder een brief van 23 juni 2010 waarin hij onder meer wijst op schending van zijn privacy en het onrechtmatig verkrijgen van gegevens door het Uwv alsmede een beroep doet op schending van de redelijke termijn.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2010. Appellant was in persoon aanwezig. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door W.J.M.H. Lagerwaard.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij uitspraak van 31 mei 2002, 00/3756 AAW/WAO, heeft de Raad onder meer het besluit van het Uwv waarbij de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) werd herzien en de teveel betaalde uitkering van hem werd teruggevorderd, vernietigd. Tevens is daarbij het Uwv veroordeeld tot het betalen van rente over de na te betalen uitkering en is het onderzoek heropend teneinde een nadere uitspraak te doen over de eventuele belastingschade.

1.2. Bij besluit op bezwaar van 16 mei 2003 heeft het Uwv onder meer aan appellant ter zake van renteschade een bedrag van € 2.700,60 toegekend. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.

1.3 Bij uitspraak van 14 januari 2005, 00/3756 AAW/WAO, heeft de Raad aan appellant ten laste van het Uwv € 543,-- toegekend ter zake van geleden belastingschade en € 200,-- in verband met advieskosten die met deze schadepost samenhangen. Tevens heeft de Raad in deze uitspraak geoordeeld dat andere door appellant gestelde schadeposten, zoals teveel ingehouden premie ingevolge de Ziekenfondswet (verder ZFW) en te weinig ontvangen overhevelingstoeslag in de onderhavige procedure niet aan de orde kunnen komen.

2.1. Bij brief van 11 juni 2005 heeft appellant zich tot het Uwv gewend in verband met de schadeposten waarover tot dan toe geen uitspraak was gedaan.

2.2. Bij besluit van 30 september 2005 heeft het Uwv vastgesteld dat de schadeposten welke appellant claimt betreffen: te weinig betaalde overhevelingstoeslag, spaarloonschade, te veel ingehouden ziekenfonds- en WW-premie alsmede advieskosten. Met betrekking tot de eerste schadepost is gesteld, dat sedert de afschaffing in het jaar 2001 van de desbetreffende toeslag, deze gebruteerd wordt; bij de nabetaling in het jaar 2002 welke een gevolg is van de voormelde uitspraak van de Raad van 31 mei 2002 is zulks ook geschied zodat door appellant terzake geen schade is geleden. Met betrekking tot de spaarloonschade – appellant heeft gesteld dat hij door de betaling van een te lage uitkering niet aan de spaarloonregeling heeft kunnen deelnemen – heeft het Uwv gesteld dat het aannemen van een causaal verband tussen de gestelde schade en de onrechtmatige daad te speculatief is, temeer nu niet is gebleken dat appellant (voorafgaand aan de gewraakte herziening van zijn uitkering) deelnam aan deze regeling. Ten aanzien van de te veel ingehouden premie ZFW en premie Werkloosheidswet heeft het Uwv erkend dat te veel is ingehouden en terzake een bedrag van € 703,11 aan appellant als vergoeding toegekend. Terzake van de gestelde advieskosten is gesteld, dat een bedrag van ruim € 763,- betrekking heeft op het verkrijgen van een vergoeding voor renteschade ten aanzien van welke schade is besloten bij eerder genoemd besluit van 16 mei 2003 welk besluit rechtens onaantastbaar is geworden, terwijl een ander deel van het geclaimde bedrag slaat op de belastingschade welke in eerder genoemde uitspraak van de Raad van 14 mei 2005 is afgehandeld; er resteert een bedrag aan advieskosten van € 563,20 welke aan appellant zal worden uitbetaald.

3. Het door appellant tegen het besluit van 30 september 2005 gemaakte bezwaar is bij besluit van 27 maart 2007 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daarbij is ten aanzien van de spaarloonregeling nog overwogen dat het niet deelnemen eraan een eigen keuze van appellant was en is aan de overwegingen in het primaire besluit voor wat betreft de ziekenfondspremie toegevoegd, dat mogelijk ook te veel is ingehouden in verband met de samenloop van loon en uitkering, maar dat de restitutiebevoegdheid terzake bij de zorgverzekeraar van appellant berust.

4. De rechtbank heeft het door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen, dat terzake van de overhevelingstoeslag geen schade door appellant is geleden nu die toeslag (in feite) door de Wet Brutering overhevelingstoeslag in het jaar van nabetaling niet meer als separate toeslag bestond. Voor zover appellant met zijn stelling terzake bedoelde dat de premies ten tijde van de nabetaling afweken van die welke bij een tijdige (en juiste) betaling verschuldigd zouden zijn geweest, is deze eventuele schadepost al verdisconteerd in de reeds uitbetaalde vergoeding van renteschade. Met betrekking tot de spaarloonschade heeft de rechtbank opgemerkt dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij zich aangemeld heeft voor de desbetreffende regeling; ook kan hij geen (kopie van het) deelnameformulier overleggen. Het causaal verband ontbreekt derhalve. De vergoeding voor teveel ingehouden premie ZFW en WW is reeds door het Uwv toegezegd. Appellant heeft er – in de loop van de procedure – op gewezen dat door zowel het Uwv als zijn werkgever premie ZFW is ingehouden waardoor het geldende premiemaximum is overschreden. Het desbetreffende bedrag zou als voor vergoeding in aanmerking komende schade aangemerkt kunnen worden, tenzij dit bedrag met vrucht langs andere weg teruggevorderd kan worden; nu dit laatste het geval is kan, aldus de rechtbank, deze schadepost niet worden aangemerkt als een bedrag dat door het Uwv dient te worden vergoed. Voor wat betreft de advieskosten moet gelden dat het gaat om een vijftal nota’s die echter ofwel betrekking hebben op de reeds afgehandelde rente- en belastingschade, ofwel proceskosten betreffen waarvoor artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht een exclusieve regeling kent. Het Uwv is derhalve niet gehouden schade aan appellant te vergoeden.

5. Appellant heeft in hoger beroep – verkort weergegeven – gesteld dat er wel degelijk sprake is van niet vergoede schade. Het Uwv had direct bij zijn werkgever moeten informeren naar het deelnameformulier van de spaarloonregeling; zelf heeft hij nog geïnformeerd bij de werkgever maar het formulier was niet aanwezig. De teveel betaalde ziekenfondspremie in verband met samenloop heeft hij, ondanks dat ter zitting van de rechtbank was gezegd dat deze op eenvoudige wijze bij de belastingdienst te verhalen was, nog niet ontvangen. Tevens heeft hij benadrukt in verband met de vele procedures aanzienlijke kosten, onder andere voor advies, te hebben gemaakt.

6.1. De Raad oordeelt als volgt.

6.2. De Raad kan hetgeen de rechtbank heeft overwogen en beslist met betrekking tot de gestelde schade in verband met de overhevelingstoeslag en de spaarloonregeling geheel onderschrijven. Terzake is geen schade geleden en er bestaat te weinig reële grond om aan te nemen dat er een direct causaal bestaat tussen het door appellant gestelde niet kunnen deelnemen aan laatstbedoelde regeling en het vernietigde, dus onrechtmatige, besluit van het Uwv.

6.3. Met betrekking tot de te veel ingehouden premies in verband met de nabetaling van de WAO-uitkering is aan appellant € 703,11 als vergoeding toegekend. Niet is gebleken dat dit deel van de vordering van appellant hiermee niet is voldaan. Met betrekking tot de te veel ingehouden ziekenfondspremie door het overschrijden van het premie-maximum als gevolg van het samenlopen van loon en (nabetaalde) uitkering geldt het volgende: het Uwv heeft in brieven van 5 en 19 juni 2008 aan appellant en de Raad erkend dat, anders dan aanvankelijk werd gedacht, over het jaar 2002 niet de Belastingdienst of de zorgverzekeraar maar het Uwv belast was met de restitutie van te veel ingehouden premie in verband met de genoemde samenloop en dat alsnog aan appellant terzake een bedrag van € 869,72 zal worden betaald vermeerderd met de wettelijke rente, op dat moment te begroten op € 131,16. De Raad stelt vast – daargelaten of deze betaling wel in direct causaal verband staat met de vernietiging van het destijds bestreden herzienings- en terugvorderingsbesluit, nu het probleem van de samenloop daar in feite los van staat –, dat de vordering van appellant door deze betaling is gekweten. De Raad gaat ervan uit dat het Uwv deze toezegging in deze brieven tot betaling nakomt.

6.4. Met betrekking tot de gestelde advieskosten merkt de Raad op, dat bij het primaire besluit aan appellant terzake reeds een bedrag van € 563,20 is toegezegd. In verband hiermee is het in de eerste plaats aan appellant om aannemelijk te maken dat boven dit bedrag nog meer advieskosten zijn gemaakt die in direct verband staan tot de schadeposten die thans in geding zijn. Op dit punt constateert de Raad dat de nota’s waarop appellant heeft gewezen – voor zover deze al niet evident de reeds afgehandelde renteschade en de belastingschade betreffen – slechts in het algemeen gestelde formuleringen bevatten als werk in verband met bezwaarschrift GUO, correspondentie en voeren bespreking. Onder deze omstandigheden acht de Raad onvoldoende aangetoond dat met betrekking tot de hier in geding zijnde schadeposten meer advieskosten zijn gemaakt dan al door het Uwv zijn vergoed.

6.5. Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen van appellant ofwel moeten worden afgewezen ofwel reeds zijn of zullen worden betaald. Het hoger beroep slaagt derhalve niet. De Raad merkt nog op dat vorderingen van appellant die buiten het bestreden besluit om gaan in dit geding niet aan de orde kunnen komen.

7.1. Met betrekking tot het beroep van appellant op schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt de Raad als volgt.

7.2. De vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij spelen een rol de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van betrokkene gedurende de procedure en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van de betrokkene.

7.3. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 (LJN BH1009) is de redelijke termijn in een procedure in drie instanties in zaken als deze in beginsel niet overschreden indien die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. In voormelde uitspraak heeft de Raad tevens overwogen dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl er doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur van de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet langer dan drieëneenhalf jaar heeft geduurd.

7.4. Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift op 8 november 2005 tot aan de datum waarop vermoedelijk uitspraak zal worden gedaan is meer dan vier jaar verstreken (vier jaar en 9 maanden). De Raad heeft in de onder 7.2 genoemde aspecten geen reden gevonden om te oordelen dat de behandelingsduur in dit geval langer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is derhalve met 9 maanden en enkele weken overschreden. Bij deze behandelingsduur heeft de bestuurlijke fase, vanaf de ontvangst van het bezwaar door het Uwv op 8 november 2005 tot het nemen van het bestreden besluit op 27 maart 2007, een jaar en meer dan vier maanden geduurd. De rechterlijke fase heeft vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 2 mei 2007 tot de uitspraak van de rechtbank op 5 december 2007 iets meer dan 7 maanden geduurd, terwijl de procedure bij de Raad vanaf de ontvangst van het hoger beroepschrift op 10 januari 2008 tot deze uitspraak twee jaar en bijna 8 maanden in beslag heeft genomen. Nu de rechterlijke fase niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd, moet de overschrijding van de redelijke termijn geheel aan het Uwv worden toegerekend. Weliswaar heeft het Uwv ter zitting van de Raad gesteld dat van deze behandelingsduur ongeveer 7 maanden aan appellant moeten worden toegerekend, maar de Raad acht hetgeen het Uwv terzake heeft aangevoerd – aan appellant is enkele malen uitstel verleend en het gegeven dat appellant veel brieven aan het Uwv heeft geschreven – niet van een zodanige aard en gewicht, dat de overschrijding van de redelijk termijn niet in de onder 7.5 te noemen omvang voor rekening van het Uwv dient te komen.

7.5. In de rechtspraak van de Raad is vastgelegd dat de vergoeding bij overschrijding van de termijn € 500,-- per half jaar of gedeelten daarvan bedraagt. Van bijzondere omstandigheden waarom zulks in de situatie van appellant anders zou moeten zijn, is de Raad niet gebleken. Dit betekent dat bij een behandelingsduur van vier jaar en 9 maanden, derhalve een overschrijding van meer dan een half jaar, maar minder dan 12 maanden, de door het Uwv te betalen vergoeding € 1.000,-- bedraagt.

8. Uit het voorgaande vloeit voort dat de Raad – met vernietiging van de aangevallen uitspraak – het beroep gegrond zal verklaren, het besluit van 27 maart 2007 zal vernietigen, de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand zal laten en het Uwv zal veroordelen tot een schadevergoeding van € 1.000,--.

9. Veroordeelt het Uwv in de proceskosten in beroep en hoger beroep tot een bedrag groot € 36,50.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit met instandlating van de rechtsgevolgen;

Veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellant van een schadevergoeding ten bedrage van € 1.000,--;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten tot een bedrag €36,50;

Bepaalt dat het Uwv het griffierecht van €145,-- aan appellant vergoedt;

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.Riphagen en C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2010.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) T.J. van der Torn.

IvR