Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN5555

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-08-2010
Datum publicatie
31-08-2010
Zaaknummer
08-5818 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Gezien het verschil van inzicht tussen de behandelend GZ-psycholoog en de bezwaarverzekeringsarts over de ernst van appellantes psychische klachten geraden geoordeeld zich door een medisch deskundige op het terrein van de psychiatrie te laten voorlichten. Geen aanleiding af te wijken van advies deskundige. De Raad kent dan ook doorslaggevende betekenis toe aan het advies van de ingeschakelde psychiater en stelt vast dat daarin ten aanzien van appellante aanmerkelijk meer psychische beperkingen zijn opgenomen dan waarvan bij het bestreden besluit is uitgegaan. De arbeidsongeschiktheidsschatting berust daarmee op een ondeugdelijke medische grondslag. Na het vervallen van de functie van samensteller metaalwaren resteren slechts twee functies. Het bestreden besluit ontbeert derhalve ook een deugdelijke arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/5818 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 21 augustus 2008, 08/2401 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft S.G.F. Hamers, werkzaam bij DAS rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld en een tweetal brieven van respectievelijk 29 juli 2008 en 6 oktober 2008 van de GZ-psycholoog dr. L.N. Lodder ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingezonden en een rapportage van 7 november 2008 van de bezwaarverzekeringsarts A.M.M. Moons.

Bij brief van 27 mei 2009 heeft mr. G.M.A. van de Loo, eveneens werkzaam bij DAS rechtsbijstand, zich als opvolgend gemachtigde gesteld en de beroepsgronden aangevuld.

Hierop heeft het Uwv gereageerd door inzending van een rapportage van 18 juni 2009 van de bezwaarverzekeringsarts Moons.

Door de Raad desverzocht heeft dr. G. Casteelen, psychiater te Amsterdam, bij rapport van 28 januari 2010 als deskundige van verslag en advies gediend omtrent de gezondheidstoestand van appellante en de bij haar bestaande arbeidsmogelijkheden.

Het Uwv heeft een reactie hierop van 1 maart 2010 van de bezwaarverzekeringsarts Moons ingezonden.

Bij brief van 11 maart 2010 heeft de opvolgend gemachtigde van appellante mr. B. Kortekaas, verbonden aan LAWW Interim, gereageerd.

Daarop heeft de bezwaarverzekeringsarts Moons bij rapport van 12 april 2010 gereageerd.

De deskundige Casteelen heeft na kennisneming van de op haar rapport ingekomen reacties de Raad bij schrijven van 13 april 2010 bericht haar advies van 28 januari 2010 te handhaven.

Daarop heeft de bezwaarverzekeringsarts Moons bij rapport van 22 april 2010 gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. G.A.A. de Josselin. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. van Nederveen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante heeft op 7 december 2000 haar werkzaamheden als buurtmoeder wegens psychische klachten gestaakt. Na ommekomst van de wettelijke wachttijd van destijds 52 weken is aan haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) verleend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze uitkering is per 17 juni 2003 ingetrokken. Het tegen deze intrekking ingestelde beroep heeft de rechtbank bij uitspraak van 2 juni 2006 gegrond verklaard en het intrekkingsbesluit is vernietigd. Daarbij is doorslaggevende betekenis toegekend aan het advies van de door de rechtbank als deskundige geraadpleegde psychiater H.N. Dijkstra te Zaandam. Het Uwv heeft in deze uitspraak berust.

1.2. Bij besluit van 25 juni 2007 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante opnieuw ingetrokken per 26 augustus 2007. Deze intrekking heeft het Uwv bij besluit op bezwaar van 21 januari 2008 (het bestreden besluit) gehandhaafd. Tegen deze intrekking heeft appellante opnieuw beroep ingesteld.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak beslist dat er geen grond is voor het oordeel dat de conclusies van de (bezwaar)verzekeringsartsen en (bezwaar)arbeidsdeskundigen niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen. Evenmin is er, aldus de rechtbank, grond voor het oordeel dat de door hen getrokken conclusies niet in overeenstemming zijn met de bepalingen van het Schattingsbesluit, noch zijn er concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van die conclusies. Daarop is het beroep ongegrond verklaard.

3.1. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat bij haar sprake is van een zorgelijk evenwicht en een ernstig recidiverende stoornis. Hoewel haar klachten zijn toegenomen, was hiervan ook al ten tijde in geding sprake. Hierbij is gewezen op de in rubriek I genoemde brieven van de GZ-psycholoog dr. Lodder. Appellante stelt zich op het standpunt dat in de door de verzekeringsarts opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) te weinig psychische beperkingen zijn opgenomen, waardoor haar belastbaarheid is overschat. De aan haar voorgehouden arbeidsmogelijkheden in de vorm van drie verschillende functies acht appellante om die reden niet geschikt.

3.2. Het Uwv heeft in navolging van de bezwaarverzekeringsarts Moons hierin geen aanleiding gezien de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling voor onjuist te houden.

3.3. De Raad heeft het gezien het verschil van inzicht tussen de behandelend GZ-psycholoog en de bezwaarverzekeringsarts over de ernst van appellantes psychische klachten geraden geoordeeld zich door een medisch deskundige op het terrein van de psychiatrie te laten voorlichten.

3.4. De deskundige dr. G. Casteelen, als psychiater verbonden aan het AMC te Amsterdam, is in samenwerking met de psychiater in opleiding J. Otten, bij rapport van 28 januari 2010 tot de conclusie gekomen dat appellante ten tijde in geding (26 augustus 2007) al voldeed aan de diagnose matig/ernstige depressie of anders chronische aanpassingsstoornis met depressieve kenmerken. In verband hiermee heeft de deskundige gesteld dat de door de verzekeringsarts in de FML opgenomen beperkingen moeten worden aangevuld. In het bijzonder is appellante beperkt op het punt van concentreren en het verdelen van aandacht, doelmatig handelen, zelfstandig handelen, handelingstempo, het lezen, het hanteren van emotionele gevoelens van anderen, het uiten van eigen gevoelens, omgaan met conflicten en samenwerken. Na commentaar van de bezwaarverzekeringsarts Moons heeft de deskundige haar conclusies bij brief van 13 april 2010 gemotiveerd gehandhaafd.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Ter zitting van de Raad is namens het Uwv het standpunt ingenomen dat gelet op de vaste rechtspraak van de Raad de deskundige gevolgd moet worden. Die rechtspraak houdt kort omschreven in dat een door de bestuursrechter gevraagd advies van een medisch deskundige in beginsel gevolgd wordt tenzij van feiten en omstandigheden blijkt op grond waarvan het aangewezen voorkomt van dat uitgangspunt af te wijken. Een dergelijke uitzondering kan zich met name voordoen als blijkt dat de ingeschakelde deskundige zijn eigen oordeel na kennisneming van het andersluidend oordeel van een door een partij ingeschakelde medicus niet serieus heeft heroverwogen. De Raad onderschrijft het standpunt van het Uwv dat van de hier bedoelde uitzonderingssituatie in het geval van appellante geen sprake is.

4.2. De Raad kent dan ook doorslaggevende betekenis toe aan het advies van de deskundige Casteelen en stelt vast dat daarin ten aanzien van appellante aanmerkelijk meer psychische beperkingen zijn opgenomen dan waarvan bij het bestreden besluit is uitgegaan. De arbeidsongeschiktheidsschatting berust daarmee op een ondeugdelijke medische grondslag.

4.3. De Raad staat nog voor de vraag of de geduide functies, ook met inachtneming van de door de deskundige Casteelen gestelde beperkingen, voor appellante geschikt zijn. Dienaangaande heeft de deskundige gesteld dat het beantwoorden van deze vraag niet tot haar expertise behoort. De deskundige heeft er wel op gewezen dat uit de haar bekende en zich onder de gedingstukken bevindende gegevens kan worden afgeleid dat de drie aan de schatting ten grondslag liggende functies mede worden gekenmerkt door items waarop appellante beperkt is geacht door haar.

4.4. De Raad is van oordeel dat uitgaande van de bij appellante bestaande beperking op het gebied van concentratie en het verdelen van aandacht de aan de schatting ten grondslag liggende functie samensteller metaalwaren (Sbc-code 264140) voor appellante niet geschikt is te achten. Uit het resultaat functiebeoordeling van die functie valt af te leiden dat het gaat om het zeer nauwkeurig samenstellen van onderdelen om afkeur bij afnemers te voorkomen. De hier gevraagde nauwkeurigheid valt niet te rijmen met een beperking op voormelde items. Te minder omdat bij het montageproces gebruik wordt gemaakt van enkele tientallen van de circa 4000 verschillende componenten die zijn gecodeerd met circa 12 cijfers en/of letters welke op het oog een zeer grote onderlinge overeenkomst vertonen c.q. bijna identiek zijn aan elkaar. De Raad laat daar of de overige twee functies met inachtneming van de door de deskundige gestelde beperkingen wel geschikt zijn. Vastgesteld moet worden dat na het vervallen van de functie van samensteller metaalwaren slechts twee functies resteren, hetgeen ingevolge het van toepassing zijnde Schattingsbesluit te weinig is om de schatting te kunnen dragen. Het bestreden besluit ontbeert derhalve ook een deugdelijke arbeidskundige grondslag.

4.5. In het hiervoor overwogene ligt reeds besloten dat de Raad geen aanleiding heeft gezien om, zoals door het Uwv ter zitting is gevraagd, toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet en het Uwv in de gelegenheid te stellen een nadere arbeidskundige onderbouwing te geven. Het Uwv heeft na de bekendwording van het advies van de deskundige Casteelen daartoe voldoende gelegenheid gehad. Op basis van de voorhanden zijnde gegevens heeft de Raad zich voldoende voorgelicht geacht omtrent de van belang zijnde arbeidskundige aspecten om zonder nader arbeidskundig advies tot een oordeel te komen.

4.6. Uit het hiervoor overwogene vloeit voort dat het bestreden besluit alsmede de aangevallen uitspraak waarbij dit in stand is gelaten voor vernietiging in aanmerking komt. Het Uwv zal een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

5. Appellante heeft op grond van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verzocht het Uwv te veroordelen in de schade die zij lijdt. Het verzoek van appellante om vergoeding van wettelijke rente komt thans niet voor toewijzing in aanmerking, omdat nadere besluitvorming door het Uwv noodzakelijk is. Het Uwv zal bij zijn nadere besluitvorming tevens aandacht dienen te besteden aan de vraag of en, zo ja, in hoeverre er termen zijn om renteschade te vergoeden. Indien het Uwv mocht besluiten af te zien van een nieuw besluit op bezwaar, zal het ter zake een zelfstandig (schade)besluit dienen te nemen.

6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Verstaat dat het Uwv een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 966,-;

Bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht van € 146,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J. Riphagen en C.P.M. van de Kerkhof als leden in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2010.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) T.J. van der Torn.

KR