Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN5553

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-08-2010
Datum publicatie
31-08-2010
Zaaknummer
08-4194 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen. Proceskostenvergoeding. Schadevergoeding wegens overschrijden redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/4194 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:73a en artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 6 juni 2008, 07/4441 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.G.H.M. de Glas, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft op 12 april 2010 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Bij brief van 10 mei 2010 heeft de gemachtigde van appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten en tevens verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Op 4 juni 2010 heeft de gemachtigde van appellant het ingevulde formulier proceskosten aan de Raad geretourneerd.

Het Uwv heeft bij brief van 10 juni 2010 te kennen gegeven zich inzake te proceskosten te refereren naar het oordeel van de Raad. Bij brief van 29 juli 2010 heeft het Uwv aangegeven van mening te zijn dat de redelijke termijn aanvangt op

24 maart 2004. Het Uwv is tevens van mening dat wanneer de Raad van oordeel is dat de redelijke termijn is overschreden deze niet volledig aan het Uwv mag worden toegerekend en daarom de Staat der Nederlanden in de procedure moet worden betrokken.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1.1. In artikel 8:73a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:73 van de Awb kan worden veroordeeld tot vergoeding van de schade die de verzoeker lijdt.

1.2. Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld.

1.3. Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet zijn deze bepalingen van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

2. Met betrekking tot het verzoek van appellante tot vergoeding van de schade in verband met het overschrijden van de redelijke termijn, overweegt de Raad als volgt.

2.1. De vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van de betrokkene, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de rechten van de mens (EHRM) naar voren komt.

2.2. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 (LJN BH1009) is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat op grond van de rechtspraak van het EHRM de behandeling van - onder meer - socialezekerheidszaken in dit verband bijzondere aandacht vereist. In de uitspraak van 26 januari 2009 heeft de Raad verder overwogen dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De in de voorgaande overweging vermelde criteria kunnen onder omstandigheden aanleiding geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten.

2.3. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 25 maart 2009 (LJN BH9991), moet in een geval waarin een vernietiging van een besluit op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en - eventueel - een hernieuwde behandeling door de rechter, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan worden toegerekend. Indien echter in de loop van de hele procedure één of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat (het ministerie van Justitie).

2.4. Zoals de Raad heeft overwogen in de uitspraak van 26 januari 2009 is, in beginsel, een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden.

2.5. Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door het Uwv op 24 maart 2004 van het eerste bezwaarschrift van appellant tot de datum van deze uitspraak zijn zes jaar en ruim vijf maanden verstreken. De Raad heeft noch in de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch in de opstelling van appellant aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is derhalve met twee jaar en ruim vijf maanden overschreden.

De Raad stelt vast dat de eerste en de tweede behandeling door de rechtbank niet meer dan anderhalf jaar heeft geduurd. De behandeling van het derde beroep door de rechtbank en het daaropvolgende hoger beroep vanaf de ontvangst van het beroepschrift door de rechtbank op 25 oktober 2007 tot de datum van deze uitspraak hebben tezamen minder dan drie en een half jaar geduurd, zodat ook in de derde rechterlijke fase geen sprake is van een te lange behandelingsduur.

Hieruit volgt dat de gehele overschrijding van de redelijke termijn aan het Uwv is toe te rekenen. De door appellant geleden immateriële schade moet worden vastgesteld op een bedrag van vijf maal € 500,-, dat is € 2.500,-.

2.6. Uit het voorgaande vloeit voort dat de Raad het Uwv zal veroordelen tot een schadevergoeding van € 2.500,-.

3.1. De Raad stelt vast dat het Uwv met de beslissing op bezwaar van 12 april 2010 geheel aan de bezwaren van appellant is tegemoet gekomen.

3.2. De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het derde beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 644,-voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

4. De Raad merkt verder op dat uit artikel 22, vijfde lid, van de Beroepswet volgt dat appellant zich met een verzoek om vergoeding van het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht tot het Uwv kan wenden.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellant van een schadevergoeding ten bedrage van € 2.500,-;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,-, te betalen aan de griffier van de Raad.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2010.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) T.J. van der Torn.

EV