Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN5550

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-08-2010
Datum publicatie
31-08-2010
Zaaknummer
10-545 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering toe te kennen. Ten aanzien van de stelling dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig is geweest, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat hiervoor in de gedingstukken, met name de rapportages van de (bezwaar)verzekeringsartsen, geen steun kan worden gevonden. De Raad is met de rechtbank eveneens van oordeel dat onvoldoende twijfel is gezaaid met betrekking tot de juistheid van de vastgestelde beperkingen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 28 juni 2007. De Raad stelt vast dat alle beschikbare medische gegevens door de (bezwaar)verzekeringsartsen zijn betrokken in de beoordeling. Niet is gebleken dat de rugklachten van appellant zijn onderschat dan wel dat de informatie uit de behandelende sector op onjuiste wijze is meegewogen en verdisconteerd in de FML. De Raad vermag niet in te zien waarom appellant, naast de reeds in de FML opgenomen beperkingen - naar objectieve maatstaven gemeten - is aangewezen op een urenbeperking. Uitgaande van de juistheid van de FML van 28 juni 2007 en met inachtneming van de in zijn rapport van 31 oktober 2007 neergelegde motivering van de bezwaararbeidsdeskundige met betrekking tot de passendheid van de functies, waarvan de onjuistheid de Raad niet is gebleken, moet appellant in staat worden geacht de hem voorgehouden functies te vervullen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/545 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 11 december 2009, 07/5299 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.J. Reeser, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft vervolgens bij brief van 22 juni 2010 twee rapportages ingebracht van dr. G.M.A. Clauwaert (medisch adviseur bij Westerweel Intermediair) van 11 juni en 21 juni 2010. Hierop is namens het Uwv gereageerd met een rapport van een bezwaarverzekeringsarts van 30 juni 2010.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Reeser. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.M. Klootwijk.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft op 8 augustus 2005 zijn werk als automonteur in verband met rugklachten moeten staken. Op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 24 juli 2007 vastgesteld dat voor appellant op 7 augustus 2007 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

1.2. Het tegen het besluit van 24 juli 2007 gemaakte bezwaar is bij besluit van 1 november 2007 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.1. Op basis van de beschikbare medische gegevens heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak geoordeeld dat moet worden aangenomen dat de verzekeringsartsen bij appellant niet te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld. Hiertoe heeft zij onder meer overwogen dat met name uit de rapportages van de (bezwaar)verzekeringsartsen blijkt dat zij op de hoogte waren van de door appellant gestelde rugklachten. Uit de medische informatie die is overgelegd, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat appellant meer beperkingen heeft dan reeds is aangenomen noch dat appellant in aanmerking komt voor een urenbeperking.

2.2. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank – gelet op een rapportage van een bezwaararbeidsdeskundige van 2 februari 2009 – geen steun gevonden voor de stelling dat appellant niet voldoet aan de voor de vervulling van de functies telefonist, receptionist (Sbc-code 315120) en verkoper groothandel (Sbc-code 317012) gestelde opleidings- dan wel diploma-eisen.

3. In hoger beroep verwijst appellant allereerst naar hetgeen hij reeds in bezwaar en beroep naar voren heeft gebracht. Dit houdt – zakelijk weergegeven – in dat appellant het medisch onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt onzorgvuldig acht. Voorts zijn de rugklachten en de daarvoor te nemen pijnmedicatie in onvoldoende mate vertaald in arbeidsbeperkingen, waaronder een urenbeperking. Hierdoor kan appellant de hem voorgehouden functies dan ook niet vervullen. In dit verband heeft appellant ter ondersteuning in de beroepsfase diverse medisch-specialistische informatie ingebracht. Tot slot zijn de functies telefonist, receptionist (Sbc-code 315120) en verkoper groothandel (Sbc-code 317012) niet passend gelet op de opleiding en de ervaring van appellant.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Ten aanzien van de stelling dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig is geweest, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat hiervoor in de gedingstukken, met name de rapportages van de (bezwaar)verzekeringsartsen, geen steun kan worden gevonden. De Raad onderschrijft in dit verband de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen in de aangevallen uitspraak en maakt deze tot de zijne.

4.3.1. De Raad is met de rechtbank eveneens van oordeel dat onvoldoende twijfel is gezaaid met betrekking tot de juistheid van de vastgestelde beperkingen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 28 juni 2007. De Raad stelt vast dat alle beschikbare medische gegevens door de (bezwaar)verzekeringsartsen zijn betrokken in de beoordeling. Niet is gebleken dat de rugklachten van appellant zijn onderschat dan wel dat de informatie uit de behandelende sector op onjuiste wijze is meegewogen en verdisconteerd in de FML. In dit verband wijst de Raad op de diverse beperkingen in de rubrieken ‘Aanpassing aan fysieke omgevingseisen’, ‘Dynamische handelingen’ en ‘Statische houdingen’. Gelet op de voorhanden zijnde gedingstukken kan evenmin staande worden gehouden dat de (bezwaar)verzekeringsartsen een onvoldoende duidelijk beeld hadden van appellants gezondheidssituatie en de daaruit voortvloeiende beperkingen. De Raad vermag niet in te zien waarom appellant, naast de reeds in de FML opgenomen beperkingen - naar objectieve maatstaven gemeten - is aangewezen op een urenbeperking.

4.3.2. In de rapportages van medisch adviseur Clauwaert van 11 juni en 21 juni 2010 ziet de Raad geen reden om het Uwv niet te volgen. In dit verband acht de Raad door de bezwaarverzekeringsarts genoegzaam in zijn rapport van 30 juni 2010 gemotiveerd waarom de bevindingen en conclusies van medisch adviseur Clauwaert geen aanleiding geven tot het aanpassen van de appellants belastbaarheid op de datum in geding.

4.3.3. In het voorgaande ziet de Raad dan ook geen aanleiding zich nader te laten voorlichten door deskundige.

4.4. De schatting is gebaseerd op de functies telefonist, receptionist (Sbc-code 315120), verkoper groothandel (Sbc-code 317012) en wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur (Sbc-code 267050). Uitgaande van de juistheid van de FML van 28 juni 2007 en met inachtneming van de in zijn rapport van 31 oktober 2007 neergelegde motivering van de bezwaararbeidsdeskundige met betrekking tot de passendheid van de functies, waarvan de onjuistheid de Raad niet is gebleken, moet appellant in staat worden geacht de hem voorgehouden functies te vervullen.

5. In de rapportage van 2 februari 2009 heeft de bezwaararbeidsdeskundige gemotiveerd dat de scholing en de in het verleden gevolgde (niet-afgeronde) opleidingen voldoende zijn om de onder rechtsoverweging 4.4 weergegeven functies te kunnen vervullen. De Raad ziet geen aanleiding aan de juistheid van hiervan te twijfelen.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2010.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) M. Mostert.

EV