Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN5480

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-08-2010
Datum publicatie
31-08-2010
Zaaknummer
09-533 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer heeft op ziekengeld. Beroep ingesteld door werkgever. Concrete medische gegevens waaruit blijkt dat er per de datum in geding sprake was van een zodanig lage bloeddruk dat belanghebbende niet geschikt was haar arbeid te verrichten, zijn de Raad niet bekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/533 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 16 december 2008, 07/4057 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld door mr. M.H. Feiken, advocaat te Tilburg, overlegd zijn twee rapportages van haar medisch adviseur J.M.W.N. Derks, gedateerd 25 februari 2009 en 14 juni 2010.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend met daarbij gevoegd een rapport van de bezwaarverzekeringsarts

mr. drs. E.J.M. van Paridon van 9 april 2009. Bij brief van 29 juni 2010 heeft het Uwv nog een reactie van bezwaarverzekeringsarts Van Paridon gedateerd 29 juni 2009 (lees: 2010) ingestuurd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2010.

Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Feiken. Het Uwv is verschenen bij gemachtigde V.A.R. Kali. Belanghebbende [naam belanghebbende] is - zoals aangekondigd - niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Belanghebbende was als taxichauffeur in dienst van [naam bedrijf] gedurende 40 uur per week. Op 1 mei 2006 is dit bedrijf overgenomen door appellante en kwam belanghebbende in loondienst van appellante. Belanghebbende had zich op 20 maart 2006 ziek gemeld voor haar werk wegens zwangerschapsklachten. Van 3 juli 2006 tot en met

25 oktober 2006 is zij in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg.

1.2. Bij besluit van 8 december 2006 heeft het Uwv afwijzend beslist op het verzoek om belanghebbende per 23 (lees: 26) oktober 2006 een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toe te kennen.

2. Bij besluit van 28 augustus 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv, onder verwijzing naar het rapport van de bezwaarverzekeringsarts A. Deitz van 23 augustus 2007, het bezwaar van appellante gericht tegen het besluit van

8 december 2006 ongegrond verklaard. In dat kader heeft het Uwv aangevoerd dat belanghebbende per 26 oktober 2006 niet langer arbeidsongeschikt was als gevolg van een rechtstreeks aan de zwangerschap of bevalling gerelateerde ziekte als bedoeld in artikel 29a, vierde lid, van de ZW, reden waarom de weigering om aan appellante ziekengeld toe te kennen wordt gehandhaafd.

3. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard, omdat de (bezwaar)verzekeringsartsen voldoende gemotiveerd hadden aangegeven dat belanghebbende per

26 oktober 2006 niet meer arbeidsongeschikt was als gevolg van een rechtstreeks aan de zwangerschap of bevalling gerelateerde ziekte. De rechtbank heeft overwogen dat belanghebbende op 31 oktober 2006 is onderzocht door de verzekeringsarts die voorts kennis had genomen van de door appellante ingebrachte brief van de huisarts van belanghebbende van 30 oktober 2006 waarin is vermeld dat belanghebbende bekend is met een te lage bloeddruk. De verzekeringsarts heeft onderkend dat belanghebbende na haar zwangerschapsverlof nog steeds last had van een lage bloeddruk en hyperventilatie, maar dat dit echter niet meer tot syncopes heeft geleid, hetgeen eerder wel het geval was. Bij brief van 17 augustus 2007 heeft de bezwaarverzekeringsarts belanghebbende opgeroepen om op het spreekuur van

23 augustus 2007 te verschijnen, aan welke oproep zij echter zonder bericht van verhindering geen gehoor heeft gegeven. Op basis van dossieronderzoek en na kennisname van het verslag van de op 7 augustus 2007gehouden hoorzitting heeft de bezwaarverzekeringsarts zijn standpunt bepaald. Hij heeft vastgesteld dat een zwangerschap weliswaar aanleiding geeft tot een lagere bloeddruk, maar dat de bloeddruk weer normaliseert na de zwangerschap. Nu de verzekeringsarts op

31 oktober 2006 een normale bloeddruk heeft gemeten, acht de bezwaarverzekeringsarts het onwaarschijnlijk dat belanghebbende, die op 16 augustus 2006 is bevallen, vanaf 26 oktober 2006 nog een dusdanig lage bloeddruk had dat zij om die reden haar arbeid niet zou kunnen verrichten. Er waren immers ook geen syncopes meer en bovendien heeft het onderzoek van de verzekeringsarts eerst negen weken na de bevalling plaatsgevonden.

4. Appellante heeft - kort samengevat - in hoger beroep aangevoerd dat het Uwv op basis van onvoldoende medisch onderzoek tot zijn conclusie is gekomen dat belanghebbende geen recht meer heeft op ziekengeld. Zij heeft haar standpunt herhaald dat belanghebbende last had van een te lage bloeddruk en dat de eenmalige meting van de bloeddruk op

1 november 2006 die op dit punt tot een normaalwaarde leidde, onvoldoende is om tot een andersluidende constatering te komen.

5. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het bestreden besluit en onderschrijft de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen. Voorts merkt de Raad op dat niet is gebleken dat de door appellante ingeschakelde medisch adviseur zich heeft gewend tot belanghebbende teneinde nadere medische informatie van haar behandelend artsen te verkrijgen. Concrete medische gegevens waaruit blijkt dat er per de datum in geding (nog) sprake was van een zodanig lage bloeddruk dat belanghebbende niet geschikt was haar arbeid te verrichten, zijn de Raad niet bekend. Het korte briefje van de huisarts van belanghebbende van 30 oktober 2006, waarin enkel is vermeld dat belanghebbende bekend is met een te lage bloeddruk, kan niet als een onderbouwing van de ongeschiktheid tot werken worden aangemerkt. Hieraan doet niet af dat belanghebbende tijdens het spreekuur van de verzekeringsarts heeft gesteld nog last te hebben van lage bloeddruk. De mogelijkheden en veronderstellingen die appellante, in navolging van haar medisch adviseur, heeft geuit brengen de Raad wat dit betreft niet tot een ander oordeel. Met name is niet gebleken dat er op 26 oktober 2006 sprake was van hartklachten die in dit verband van belang zijn. Het feit dat belanghebbende in 1998 een hartoperatie heeft ondergaan was de bezwaarverzekeringsarts Deitz bekend. De bezwaarverzekeringsarts Van Paridon heeft in de rapporten van 9 april 2009 en 29 juni 2010 afdoende gereageerd op hetgeen de medisch adviseur van appellante heeft aangevoerd.

6. Uit hetgeen is overwogen onder 5 volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

7. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M.A. van Amerongen.

IvR