Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN5469

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-08-2010
Datum publicatie
31-08-2010
Zaaknummer
08-6666 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Re-integratievisie is gericht op rechtsgevolg. Betrokkene is in beroep gekomen omdat zij zich niet kan vinden in de aanname zijdens appellant (Uwv) dat zij bij haar huidige werkgever duurzaam alsnog haar volledige verdienvermogen kan benutten. Betrokkene kan zich er wel mee verenigen dat in haar geval geen re-integratie instrumenten worden ingezet. Dit laatste vormt het besluit dat in de re-integratievisie is vervat. Nu betrokkene zich in dit besluit kan vinden, moet worden vastgesteld dat het beroep van betrokkene een procesbelang ontbeert. Zij beoogt immers niet dat er alsnog re-integratie instrumenten worden ingezet. Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/6666 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 6 november 2008, 07/2875 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 20 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene is medegedeeld dat geen verweer wordt gevoerd, omdat betrokkene het standpunt van appellant ondersteunt.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2010. Voor appellant was aanwezig mr. C. Vork en voor betrokkene mr. C.T.W. van Dijk, advocaat te Utrecht.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 7 maart 2007 heeft appellant de aan betrokkene toegekende WAO-uitkering per 4 mei 2007 ingetrokken.

1.2. Bij brief van 7 maart 2007 heeft appellant betrokkene doen toekomen een re-integratievisie. Hierin is vastgelegd dat appellant op dit moment (nog) geen re-integratieactiviteiten start omdat betrokkene bij haar huidige werkgever duurzaam alsnog haar volledige verdienvermogen kan benutten.

1.3. Bij besluiten van 10 september 2007 heeft appellant de bezwaren van betrokkene tegen de intrekking van haar uitkering per 4 mei 2007, onderscheidenlijk de re-integratievisie ongegrond verklaard.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank met beslissingen over griffierecht en proceskosten het beroep van betrokkene tegen het besluit van 10 september 2007 inzake de intrekking van haar uitkering ongegrond verklaard, het beroep van betrokkene tegen het besluit van 10 september 2007 inzake de re-integratievisie gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat deze uitspraak in de plaats komt van dit besluit. Blijkens de aan deze beslissingen ten grondslag liggende overwegingen heeft de rechtbank tevens beoogd te bepalen dat het bezwaar van betrokkene tegen de re-integratievisie alsnog niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

2.2. Met betrekking tot het beroep tegen het besluit van 10 september 2007 tot handhaving van de re-integratievisie heeft de rechtbank het volgende overwogen

- waarbij appellant is aangeduid als verweerder en betrokkene als eiseres - :

“Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Ingevolge artikel 26, eerste lid, aanhef en onder l, van de Werkloosheidswet is de werknemer verplicht te voldoen aan de verplichtingen die zijn opgenomen in de re-integratievisie, bedoeld in artikel 30a, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet Suwi), en het re-integratieplan, bedoeld in artikel 30a, derde lid, van die wet.

Ingevolge artikel 30a, eerste lid, van de Wet Suwi stelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, nadat het recht op een uitkering op grond van wetten als bedoeld in artikel 30, eerste lid, onderdeel a, uitgezonderd de wettelijke ziekengeldverzekering, is vastgesteld, indien gelet op de aard van de uitkering de taak, bedoeld in artikel 30, eerste lid, onderdeel b, wordt uitgevoerd, in samenspraak met de uitkeringsgerechtigde een re-integratievisie vast waarin verplichtingen en rechten van de uitkeringsgerechtigde zijn vermeld.

De rechtbank ziet zich eerst ambtshalve voor de vraag gesteld of de brief van 7 maart 2007 een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

Als uitgangspunt geldt dat in een re-integratievisie de in diverse wetten geregelde verplichtingen die zijn gericht op re-integratie kunnen worden geconcretiseerd.

Indien de verplichtingen die in de re-integratievisie zijn opgenomen niet worden nageleefd door de uitkeringsgerechtigde kan dit reden zijn voor het UWV om een sanctie op te leggen. De re-integratievisie is aldus op rechtsgevolg gericht, reden waarom daartegen dan bezwaar en beroep openstaat.

De rechtbank stelt vast dat in de brief van 7 maart 2007 geen verplichtingen aan eiseres zijn opgelegd als hiervoor bedoeld. Deze brief ontbeert dan ook rechtsgevolg en is dus ook geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb waartegen eiseres bezwaar kan maken. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder eiseres ten onrechte ontvankelijk heeft geacht in haar bezwaar gericht tegen de brief van 7 maart 2007.”

3. Appellant kan zich hiermee niet verenigen. Onder verwijzing naar de daarop betrekking hebbende bepalingen in de Wet Suwi en de wetsgeschiedenis heeft appellant betoogd dat een re-integratievisie een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Toegespitst op de situatie van betrokkene dient naar de mening van appellant de conclusie in de re-integratievisie dat geen re-integratieactiviteiten worden gestart, aangemerkt te worden als een concrete afspraak met rechtsgevolg. Op grond van de artikelen 30, eerste lid, onder b, en 30, zesde lid, van de Wet Suwi heeft betrokkene via appellant recht op ondersteuning van een re-integratiebedrijf bij de inschakeling in het arbeidsproces. In het geval van betrokkene is concreet vastgelegd dat een recht dat zij op grond van de Wet Suwi heeft, haar niet wordt geboden.

4.1. De Raad kan zich met dit betoog verenigen. De mededeling dat ten aanzien van betrokkene geen re-integratieactiviteiten worden gestart, betekent dat appellant betrokkene te kennen heeft gegeven dat hij de hem ingevolge artikel 30, eerste lid, van de Wet Suwi toebedeelde taak in haar geval niet uitvoert. Gelijk de Raad heeft geoordeeld in zijn uitspraak van

23 september 2009 (LJN BJ8466), heeft aldus een rechtsvaststelling plaatsgevonden met betrekking tot betrokkenes aanspraken op re-integratie. Naar het oordeel van de Raad is de re-integratievisie dan ook in zoverre gericht op rechtsgevolg.

4.2. Het hoger beroep slaagt.

5.1. Nu naar het oordeel van de Raad de zaak geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft, zal de Raad beslissen op het door betrokkene ingestelde beroep tegen het besluit van 10 september 2007, waarbij haar bezwaar tegen de re-integratievisie ongegrond is verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Raad het volgende.

5.2. Betrokkene is in beroep gekomen omdat zij zich niet kan vinden in de aanname zijdens appellant dat zij bij haar huidige werkgever duurzaam alsnog haar volledige verdienvermogen kan benutten. Betrokkene kon en kan zich er wel mee verenigen dat in haar geval geen re-integratie instrumenten worden ingezet.

5.3. Dit laatste vormt, zoals de Raad hiervoor heeft overwogen, het besluit dat in de re-integratievisie is vervat. Nu betrokkene zich in dit besluit kan vinden, moet worden vastgesteld dat het beroep van betrokkene een procesbelang ontbeert. Zij beoogt immers niet dat er alsnog re-integratie instrumenten worden ingezet. Dat betrokkene zich niet kan vinden in de aan het besluit ten grondslag liggende aanname van appellant, maakt dit niet anders.

5.4. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

6. Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen;

Verklaart betrokkene niet-ontvankelijk in haar beroep.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2010.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) A.L. de Gier.

TM