Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN5198

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-08-2010
Datum publicatie
30-08-2010
Zaaknummer
09-4356 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. De Raad is van oordeel dat de als buitenwettelijk beleid aan te merken gedragslijn in het geval van appellant op consistente wijze is toegepast. Het had appellant, gelet op de omvang van zijn verdiensten, redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat de verdiensten van invloed konden zijn op de hoogte van zijn uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/4356 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 19 juni 2009, 08/1528 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).

Datum uitspraak: 27 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Wiltjer-Rozema, werkzaam bij het Christennetwerk/GMV te Zwolle, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 7 mei 2010, waar appellant is verschenen, bijgestaan door

mr. G.T. Varwijk, eveneens werkzaam bij Christennetwerk/GMV. Namens het Uwv is verschenen E.F. de Roy van Zuydewijn.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een overzicht van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank hieromtrent in de aangevallen uitspraak heeft overwogen. Hier volstaat de Raad met het volgende.

1.2. Bij besluit van 20 augustus 2007 is aan appellant meegedeeld dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid met ingang van 1 januari 2001 en 28 januari 2002 gehandhaafd blijft op respectievelijk 45 tot 55% en 55 tot 65%. Als gevolg van zijn inkomsten uit werkzaamheden als raadslid met ingang van 1 januari 2001 wordt zijn WAO-uitkering echter met toepassing van artikel 44 van de WAO over de periode van 1 januari 2001 tot 1 januari 2005 uitbetaald naar de klasse 35 tot 45% en met ingang van 1 januari 2005 naar de klasse 45 tot 55%.

1.3. Bij besluit van 21 april 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 20 augustus 2007 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - kort samengevat - overwogen dat er geen sprake is van een herziening van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant, maar van toepassing van artikel 44, eerste lid, van de WAO. Aan dit artikel kan met terugwerkende kracht toepassing worden gegeven indien betrokkene wist dan wel redelijkerwijs kon weten dat de inkomsten uit arbeid van invloed zouden kunnen zijn op de hoogte van de uitkering. De rechtbank volgt appellant niet in zijn stelling dat hij zijn inkomsten als raadslid wel heeft gemeld bij het Uwv. Tevens is de rechtbank van oordeel dat appellant wist dan wel kon weten dat die inkomsten van invloed zouden kunnen zijn op de hoogte van zijn uitkering. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv terecht met toepassing van artikel 44 van de WAO de inkomsten van appellant als raadslid met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2001 geanticumuleerd.

3. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat het hem niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat de inkomsten als raadslid van invloed konden zijn op zijn uitkering. Voorts is appellant van mening dat hij die inkomsten wel heeft gemeld bij het Uwv, namelijk door middel van het formulier ‘opgave jaarinkomsten 2001’.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Tussen partijen is de hoogte van de inkomsten van appellant over de in geding zijnde periode niet in geschil. Evenmin is in geding dat het Uwv op basis van deze verdiensten een juiste berekening heeft gemaakt van de fictieve mate van arbeidsongeschiktheid van appellant. Het beroep van appellant richt zich uitsluitend tegen het met terugwerkende toepassing geven aan artikel 44, eerste lid, van de WAO.

4.3. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 5 november 2008, LJN BG3717, overweegt de Raad dat in het geval aan de daarvoor gestelde voorwaarden is voldaan, het Uwv gehouden is toepassing te geven aan artikel 44 van de WAO. Dit laat evenwel onverlet dat de toepassing van artikel 44 van de WAO onder omstandigheden in strijd kan zijn met het beginsel van rechtszekerheid, dan wel een (andere) ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel. In dit verband is van belang dat het Uwv, hoewel het zich op het standpunt stelt dat de Regeling niet rechtstreeks van toepassing is in de situatie dat het Uwv met toepassing van artikel 44 van de WAO inkomsten uit arbeid anticumuleert met de uitbetaling van een aan een verzekerde toegekende WAO-uitkering, heeft aangegeven in laatstbedoelde situatie een bestendige gedragslijn te hanteren die er op neerkomt dat ook in die situatie de instructies worden gevolgd die ter uitvoering van de Regeling zijn opgesteld.

4.4. De Raad is van oordeel dat voormelde als buitenwettelijk beleid aan te merken gedragslijn in het geval van appellant op consistente wijze is toegepast. Het had appellant, gelet op de omvang van zijn verdiensten, redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat deze verdiensten van invloed konden zijn op de hoogte van zijn uitkering.

4.5. De Raad kan zich niet vinden in de stelling van appellant dat ongeschreven rechtsregels, in het bijzonder het beginsel van rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel, zich in zijn geval verzetten tegen de toepassing van artikel 44 van de WAO. Uit de voorhanden zijnde gegevens is de Raad niet gebleken van een bevoegdelijk gedane, schriftelijke, uitdrukkelijke en eenduidige toezegging, dan wel van gerechtvaardigde verwachtingen, op grond waarvan genoemde beginselen zouden meebrengen dat het Uwv in het voorliggende geval, in weerwil van de uit artikel 44 van de WAO voortvloeiende gehoudenheid, niet tot anticumulatie had mogen besluiten. Het standpunt van appellant dat hij zijn inkomsten heeft gemeld, daargelaten of deze melding ook is ontvangen door het Uwv, is daarvoor onvoldoende.

4.6. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en J.P.M. Zeijen en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van

M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2010.

(get.) J. Brand.

(get.) M. Mostert.

EV