Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN5150

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-08-2010
Datum publicatie
31-08-2010
Zaaknummer
09-6734 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling draagkracht. Vaststelling maandbedrag waarmee resterende studieschuld moet worden af betaald. De wetgever heeft er nadrukkelijk niet voor gekozen dat bij het vaststellen van de draagkracht rekening wordt gehouden met het besteedbaar inkomen of de hoogte van het individuele uitgavenpatroon van de debiteur. Met ziektekosten wordt bij de draagkrachtvaststelling indirect rekening gehouden voor zover deze kosten als aftrekposten door de Belastingdienst zijn geaccepteerd, waardoor ze tot een verlaging van het verzamelinkomen respectievelijk het belastbaar loon hebben geleid. Geen sprake van zeer bijzondere individuele omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/6734 WSF

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 november 2009, 09/116 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep).

Datum uitspraak: 27 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

In dit geding is een uitspraak aan de orde over een besluit dat is genomen door de IB-Groep. Op 1 januari 2010 is de Wet van 15 oktober 2009 tot intrekking van de Wet verzelfstandiging informatiseringsbank en wijziging van diverse wetten in verband met de oprichting van de Dienst Uitvoering Onderwijs in werking getreden. Als gevolg hiervan is de IB-Groep opgehouden te bestaan. Ingevolge artikel XXI, eerste lid, van de wet treedt in dit geding de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Minister) in de plaats van de IB-Groep. In deze uitspraak wordt onder de Minister tevens verstaan de IB-Groep.

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De Minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2010. Appellante is niet verschenen. De Minister was vertegenwoordigd door mr. M. van der Toorn.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 6 november 2008 heeft de Minister de draagkracht van appellante voor 2009 op basis van haar belastbare loon in 2007 vastgesteld op een bedrag van € 55,08 per maand.

1.2. Bij besluit van 9 december 2008 heeft de Minister het bezwaar van appellante tegen het besluit van 6 november 2008 ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat de draagkracht volgens de wet wordt bepaald door het op het door de Belastingdienst vastgestelde verzamelinkomen of belastbaar loon gebaseerde toetsingsinkomen en dat dus geen acht wordt geslagen op het daadwerkelijk besteedbare inkomen, terwijl niet is gebleken van omstandigheden die aanleiding geven om gebruik te maken van de bevoegdheid vervat in artikel 11.5 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) tot afwijking van die wettelijke verplichting.

1.3. Feitelijk dient appellante, gezien het nadien genomen besluit van 6 januari 2009, haar resterende studieschuld aan de Minister vanaf 1 januari 2009 met een bedrag van € 45,41 per maand af te betalen.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 9 december 2008 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante herhaald dat zij het vastgestelde maandbedrag niet kan betalen gelet op haar persoonlijke situatie, in welk verband naar voren is gebracht dat ze veel extra kosten heeft omdat ze chronisch ziek is. Appellante meent dat in haar geval een uitzondering op de wet moet worden gemaakt.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad stelt allereerst vast dat bij het besluit van 9 december 2008 de draagkracht van appellante voor 2009 in overeenstemming met het van toepassing zijnde wettelijke regime is berekend op basis van het door de Belastingdienst vastgestelde belastbare loon in 2007. De Raad verwijst hiervoor naar het bepaalde in artikel 6.11, eerste lid, van de Wsf 2000 jo. artikel 1.1 van de Wsf 2000 jo. de artikelen 2, eerste lid onder p en 8, eerste lid van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen jo. artikel 21, onderdeel e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

4.2. De Raad overweegt vervolgens dat de Minister in redelijkheid heeft kunnen afzien van zijn bevoegdheid om toepassing te geven aan de in artikel 11.5 van de Wsf 2000 neergelegde hardheidsclausule. Blijkens de bepalingen en de ontstaansgeschiedenis van de Wsf 2000 heeft de wetgever er nadrukkelijk niet voor gekozen dat bij het vaststellen van de draagkracht rekening wordt gehouden met het besteedbaar inkomen of de hoogte van het individuele uitgavenpatroon van de debiteur.

Met ziektekosten wordt bij de draagkrachtvaststelling indirect rekening gehouden voor zover deze kosten als aftrekposten door de Belastingdienst zijn geaccepteerd, waardoor ze tot een verlaging van het verzamelinkomen respectievelijk het belastbaar loon hebben geleid.

In hetgeen appellante naar voren heeft gebracht ziet de Raad geen zeer bijzondere individuele omstandigheden die nopen tot het buiten toepassing laten van de wettelijke bepalingen.

4.3. Gelet op het hiervoor in 4.1 en 4.2 overwogene is de Raad van oordeel dat het hoger beroep van appellante faalt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2010.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) M. Mostert.

EK