Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN5128

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-08-2010
Datum publicatie
27-08-2010
Zaaknummer
10-759 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet terugkomen van eerdere besluiten. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/759 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 december 2009, 08/2614 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.A.K. Kuipers, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting op 16 juli 2010, waar partijen niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank ongegrond verklaard het beroep van appellante tegen het besluit van het Uwv van 31 januari 2008, waarbij het Uwv - beslissend op bezwaar - heeft besloten niet terug te komen van de besluiten van 6 april 2001 en 6 februari 2004.

1.2. De rechtbank heeft daarbij overwogen, onder verwijzing naar artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de vaste rechtspraak van de Raad, dat de rechterlijke toetsing zich in eerste instantie beperkt tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

1.3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellante aan haar verzoek dat heeft geleid tot het besluit van 31 januari 2008, bedoeld in 1.1, geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb ten grondslag gelegd. Het Uwv was derhalve bevoegd het verzoek van appellante af te wijzen onder verwijzing naar de eerdere besluitvorming.

2.1. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat inmiddels op basis van toegenomen klachten een herbeoordeling heeft plaatsgevonden. Daarbij is een groter aantal beperkingen aangenomen dan bij de eerdere beoordeling die gold vanaf 28 april 2001, inclusief een urenbeperking. Als gevolg daarvan heeft het Uwv haar uitkering inmiddels verhoogd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Appellante stelt zich op het standpunt dat hieruit volgt dat sprake is van nieuwe omstandigheden en dat deze omstandigheden aanleiding dienen te geven om terug te komen van de besluiten van

6 april 2001 en 6 februari 2004.

2.2. Voorts heeft appellante haar standpunt dat bij de medische beoordeling voorafgaande aan het besluit van 6 april 2001 fouten zijn gemaakt herhaald. Zij baseert zich daarbij voornamelijk op de omstandigheid dat tussen 2004 en 2006 is komen vast te staan dat zij lijdt aan het syndroom van Sjögren, een auto-immuunaandoening, en dat deze aandoening de klachten die zij ondervindt van het chronisch vermoeidheidssyndroom versterkt. Dit feit is in 2001 niet meegenomen in de beoordeling omdat het toen nog niet bekend was, in 2004 werd wel vermoed dat appellante deze aandoening had, maar pas in 2006 is de diagnose gesteld.

3.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat hetgeen appellante heeft aangevoerd geen aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat het Uwv zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. De Raad kan zich ook vinden in de door rechtbank gebezigde overwegingen.

3.2. Het feit dat tussen 2004 en 2006 de diagnose syndroom van Sjögren is gesteld, kan niet worden aangemerkt als nieuw feit in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Bij de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid is niet een bepaalde diagnose doorslaggevend, maar de voor appellante geldende beperkingen voor het verrichten van arbeid.

3.3. De door appellante bedoelde fouten - daargelaten of deze fouten ook zijn gemaakt - bieden naar vaste rechtspraak van de Raad geen grond voor toepassing van artikel 4:6 van de Awb.

3.4. Uit de overwegingen 3.1 tot en met 3.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet dan ook worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2010.

(get.) J. Brand.

(get.) D.E.P.M. Bary.

EV