Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN5127

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-08-2010
Datum publicatie
30-08-2010
Zaaknummer
10-953 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar. Bezwaarschrift is te laat ingediend. Geen reden om de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/953 WSF

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 31 december 2009, 09/284 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-groep).

Datum uitspraak: 27 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

In dit geding is een uitspraak aan de orde over een besluit dat genomen is door de IB-Groep. Op 1 januari 2010 is de Wet van 15 oktober 2009 tot intrekking van de Wet verzelfstandiging informatiseringsbank en wijziging van diverse wetten in verband met de oprichting van de Dienst Uitvoering Onderwijs in werking getreden. Als gevolg hiervan is de IB-Groep opgehouden te bestaan. Ingevolge artikel XXI, eerste lid, van de wet treedt in dit geding de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Minister) in de plaats van de IB-Groep. In deze uitspraak wordt onder de Minister tevens verstaan de IB-Groep.

Appellante heeft hoger beroep ingesteld en de Minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2010. Appellante is in persoon verschenen. Voor de Minister is verschenen mr. M. van der Toorn.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Op 14 juli 2007 heeft de Minister aan appellante een besluit verzonden betreffende een terugvordering. Een kopie van dat besluit is op 17 juli 2008 naar appellante verzonden.

1.2. Appellante heeft bij schrijven van 29 augustus 2008 tegen het besluit van 14 juli 2007 bezwaar gemaakt.

1.3. Bij besluit van 8 december 2008 heeft de Minister het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 8 december 2008 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante verklaard het niet eens te zijn met het oordeel van de rechtbank dat de Minister terecht het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard. Appellante stelt het besluit op 19 juli 2008 te hebben ontvangen en binnen zes weken na ontvangst, namelijk op 29 augustus 2008 een bezwaarschrift te hebben ingediend. Zij verwijst hierbij naar het door het postkantoor afgegeven bewijs van verzending van 29 augustus 2008. Appellante voert voorts aan dat de rechtbank aan de mondelinge verklaring van de vertegenwoordiger van de Minister dat het besluit niet later dan 17 juli 2008 is verzonden, veel meer waarde hecht dan aan het schriftelijke bewijs van appellante dat zij op 29 augustus 2008 het bezwaarschrift verzonden heeft. Dit vertrouwen in de Minister is nergens op gebaseerd en is volstrekt oneerlijk.

4. De Raad is - met de rechtbank - van oordeel dat de Minister terecht het bezwaar tegen het besluit van 14 juli 2007, nogmaals verzonden op 17 juli 2008 niet-ontvankelijk heeft verklaard. De Raad ziet geen reden om aan te nemen dat het besluit, dat voorzien is van een stempel met de verzenddatum en een handtekening, later is verstuurd dan op 17 juli 2008. Dat betekent - zoals reeds uiteen is gezet in de aangevallen uitspraak - dat de bezwaartermijn is aangevangen op 18 juli 2008 en eindigde op 28 augustus 2008. Nu vaststaat dat het bezwaarschrift is verzonden op 29 augustus 2008, kan de Raad niets anders concluderen dan dat het bezwaarschrift te laat is ingediend. Het standpunt van appellante dat zij het bezwaarschrift heeft ingediend binnen zes weken na ontvangst van het besluit van 14 juli 2007 gaat eraan voorbij dat ingevolge artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht de termijn voor het indienen van bezwaar niet start bij ontvangst van een besluit, maar met ingang van de dag na die waarop het besluit aan appellante is verzonden. De Raad ziet voorts geen reden om de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar te achten.

5. Het vorengaande betekent dat het hoger beroep faalt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2010.

(get.) J. Brand.

(get.) D.E.P.M. Bary.

EV