Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN5125

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-08-2010
Datum publicatie
30-08-2010
Zaaknummer
10-1091 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAZ-uitkering. De Raad heeft in de beschikbare gegevens geen aanknopingspunten gevonden om de beoordeling van het Uwv, zoals neergelegd in de rapportages van bezwaarverzekeringsarts Hulst van 14 en 17 december 2007 voor onjuist te houden. De Raad overweegt dat bezwaararbeidsdeskundige Kollaard op 29 september 2009 de bij deze functies voorkomende signaleringen heeft toegelicht op een wijze die de Raad begrijpelijk en overtuigend voorkomt. Ook overigens is de Raad niet gebleken, dat de geselecteerde functies niet passend zouden zijn. Geen strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/1091 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 januari 2010, 08/1188 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.E. Stam, advocaat in Zaandam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Stam. Het Uwv heeft zich -met voorafgaande kennisgeving- niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant is werkzaam geweest als zelfstandig kapper gedurende circa 50 uur per week. Op 1 januari 1987 is hij gedeeltelijk uitgevallen vanwege hoofd-, nek- en schouderklachten. Na het volbrengen van de wettelijke wachtperiode is hem met ingang van 31 december 1987 een arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend. Deze uitkering is met ingang van 1 januari 1998 omgezet in een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) en werd laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Bij besluit van 15 november 2006 is de WAZ-uitkering van appellant met toepassing van het aangepaste Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Stb. 2004, 434), hierna: aSB per 2 januari 2007 ingetrokken. Na bezwaar is de mate van arbeidsongeschiktheid per die datum ongewijzigd vastgesteld op 45 tot 55%. Naar aanleiding van een hersteloperatie waartoe in het regeerakkoord van het Kabinet Balkenende IV op 22 februari 2007 was besloten, heeft een herbeoordeling plaatsgevonden op grond van het oude Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Stb. 2000, 307), hierna: oSB, zoals dat gold tot 1 oktober 2004. In dat kader is op 1 augustus 2007 een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld en heeft bezwaararbeidsdeskundige M.N.J. Kollaard het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) geraadpleegd en een zestal functies geselecteerd, tot het verrichten waarvan appellant in staat is geacht. Op basis van de mediane loonwaarde van de drie functies met de hoogste loonwaarde stelde Kollaard de mate van arbeidsongeschiktheid vast op minder dan 25%. Bij besluit van

7 september 2007 is de WAZ-uitkering uiteindelijk per 6 (lees: 8) november 2007 ingetrokken.

2. In bezwaar heeft appellant onder meer naar voren gebracht dat hij door de beoordeling op grond van het oSB is benadeeld. Er zou in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel zijn gehandeld. Voorts is namens appellant aangevoerd, dat het Uwv de beperkingen heeft onderschat en de reductiefactor niet juist heeft berekend. Nadat bezwaarverzekeringsarts R.M. de Vink de medische beoordeling heeft bevestigd, heeft bezwaararbeidsdeskundige A. van der Ploeg op 25 februari 2008 de geschiktheid voor de geselecteerde functies beoordeeld en een aantal van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies laten vervallen. Dit leidde echter niet tot een – in het kader van de toepassing van de WAZ – relevant verlies aan verdiencapaciteit. Bij besluit van 4 maart 2008 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard.

3. In beroep heeft appellant de eerder ingebrachte gronden herhaald en er op gewezen dat het niet de bedoeling van de wetgever kan zijn geweest dat betrokkenen als gevolg van de hersteloperatie in een slechtere positie zouden komen te verkeren dan die waarin men zonder herbeoordeling zou hebben verkeerd.

4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld, dat pas in beroep een toereikende motivering van de geschiktheid van de geselecteerde functies is gegeven. De rechtbank heeft om die reden het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

5. In hoger beroep heeft appellant naast een herhaling van eerdere gronden aangevoerd dat hij er op mocht vertrouwen dat hij vanaf 2 januari 2007 45 tot 55% arbeidsongeschikt werd geacht. Door vervolgens wederom de mate van arbeidsongeschiktheid per 22 februari 2007 te beoordelen op basis van precies dezelfde gegevens, heeft het Uwv in strijd met het vertrouwensbeginsel gehandeld. Voorts is gewezen op een onjuistheid in de vaststelling van het maatmanloon.

6.1. De Raad oordeelt als volgt.

6.2. Wat betreft de medische beoordeling is de Raad met de rechtbank van oordeel, dat in de FML van 1 augustus 2007, waarbij een beperking is aangenomen ten aanzien van het hand- en vingergebruik, voldoende rekening is gehouden met de bij appellant bestaande beperkingen. Appellant heeft zijn stelling dat het Uwv de beperkingen heeft onderschat en ten onrechte geen rekening heeft gehouden met schouder-, hoofd- en nekklachten niet met medische gegevens onderbouwd. De Raad heeft in de beschikbare gegevens geen aanknopingspunten gevonden om de beoordeling van het Uwv, zoals neergelegd in de rapportages van bezwaarverzekeringsarts Hulst van 14 en 17 december 2007 voor onjuist te houden.

6.3. Voor het inschakelen van een onafhankelijk deskundige zoals ter zitting bij de Raad verzocht, ziet de Raad geen aanleiding.

6.4. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit overweegt de Raad dat de schatting berust op geschiktheid voor de functie van bezorger kranten, tijdschriften en wasgoed met sbc-code 111230, de functie van magazijnmedewerker met sbc-code 315020 en de functie van sorteerder, controleur met sbc-code 111340. De Raad overweegt dat bezwaararbeidsdeskundige Kollaard op 29 september 2009 de bij deze functies voorkomende signaleringen heeft toegelicht op een wijze die de Raad begrijpelijk en overtuigend voorkomt. Ook overigens is de Raad niet gebleken, dat de geselecteerde functies niet passend zouden zijn.

6.5. Wat betreft de door appellant genoemde onjuistheid in het vastgestelde maatmanloon overweegt de Raad dat blijkens een herberekening van het Uwv van 1 april 2010 een correctie van het maatmanloon naar een bedrag van € 8,71 geen consequenties heeft voor de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid. De Raad verbindt hier dan ook verder geen gevolgen aan.

6.6. Ten aanzien van het vertrouwen dat appellant meent te kunnen ontlenen aan de eerdere vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55% overweegt de Raad als volgt. Het besluit om appellant alsnog 45 tot 55% arbeidsongeschikt te beschouwen heeft betrekking op 2 januari 2007 en ziet daarmee op een andere datum dan die thans in geding en niet op 22 februari 2007. Voorts ligt aan de beoordeling per 2 januari 2007 een ander Schattingbesluit ten grondslag. De Raad is dan ook van oordeel dat aan de eerdere vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid naar de klasse 45 tot 55% per 2 januari 2007, welke per 22 februari 2007 is gehandhaafd, geen gerechtvaardigd vertrouwen kan worden ontleend dat die klasse ook voor de toekomst zou worden gehandhaafd en dat mitsdien het beroep op het vertrouwensbeginsel niet kan slagen. Van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel is de Raad evenmin gebleken.

6.7. Uit het onder punt 6.2 tot en met 6.6 vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor zover in hoger beroep aangevallen voor bevestiging in aanmerking komt.

7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover in hoger beroep aangevallen.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2010.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M.A. van Amerongen.

TM