Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN5079

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-08-2010
Datum publicatie
27-08-2010
Zaaknummer
10/705 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar. De mededeling niet gericht op een zelfstandig rechtsgevolg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/705 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 9 december 2009, 09/808 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.T. Dieters, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2010. Voor appellant is mr. Dieters verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W. Metus.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant heeft beroep ingesteld tegen een besluit van het Uwv van 14 juli 2009. Bij dit besluit heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen een deel van de inhoud van een brief van het Uwv van 30 juni 2009 niet-ontvankelijk verklaard, primair omdat geen sprake is van een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en subsidiair omdat belang ontbreekt.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het besluit van 14 juli 2009 bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het aangevochten onderdeel van de brief van 30 juni 2009 een mededeling is van feitelijke aard en geen besluit waartegen bezwaar en beroep openstaat.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat het aangevochten onderdeel van de brief van 30 juni 2009 een besluit in de zin van de Awb is, omdat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) verlaagt van 80 tot 100% naar 25 tot 35%.

3.2. Het Uwv heeft zich achter het oordeel van de rechtbank gesteld.

4. De Raad komt tot volgende beoordeling.

4.1. Met het aangevochten deel van de brief van 30 juni 2009 heeft het Uwv aan de gemachtigde van appellant laten weten dat in afwachting van verdere besluitvorming een WAO-uitkering zal worden betaald conform een besluit van 14 november 2008.

4.2. Op grond van artikel 7:1 van de Awb kan bezwaar worden gemaakt tegen een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Het aangevochten deel van de brief van 30 juni 2009 is een besluit in de zin van laatstgenoemd artikel als het op rechtsgevolg is gericht.

4.3. De mededeling van het Uwv, feitelijk erop neerkomende dat aan appellant een WAO-uitkering wordt betaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%, is niet gericht op een zelfstandig rechtsgevolg. Het aangevochten deel van de brief van 30 juni 2009 brengt geen wijziging in de uitkering die aan appellant op grond van het besluit van 14 november 2008 met ingang van 10 december 2008 werd betaald. Een rechtsgevolg is, nadat de rechtbank bij haar uitspraak van 2 september 2009, 08/505, het besluit van 14 november 2009 alsnog vernietigde, eerst verbonden aan een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 29 november 2007. Ter zitting van de Raad hebben partijen meegedeeld dat bij een besluit van 16 maart 2010, waartegen appellant geen beroep heeft ingesteld, de mate van arbeidsongeschiktheid opnieuw met ingang van 10 december 2008 is vastgesteld op 25 tot 35%. Dit besluit staat niet ter beoordeling van de Raad.

4.4. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het aangevochten deel van de brief van 30 juni 2009 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb en het Uwv het bezwaar daartegen op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard.

4.5. Het hoger beroep slaagt niet. De Raad zal de aangevallen uitspraak bevestigen.

5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2010.

(get.) M. Greebe.

(get.) D.E.P.M. Bary.

NW