Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN5071

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-08-2010
Datum publicatie
27-08-2010
Zaaknummer
09/2111 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met verwijzing naar zijn uitspraak van 16 september 2009 (LJN BJ7873) is de Raad van oor-deel dat de rechtbank geen juiste betekenis heeft toegekend aan het protocol Depressieve Stoornis. Dat dit Protocol als hulpmiddel moet worden aangemerkt, betekent niet dat aan het Protocol geen betekenis zou kunnen toekomen bij de beoordeling van het bestreden besluit. De vraag welke betekenis zal moeten worden beantwoord aan de hand van de feiten en om-standigheden van het onderhavige geval en de aard en inhoud van het voorschrift van het Pro-tocol. Het verzekeringsgeneeskundig protocol “Depressieve stoornis” biedt, blijkens de tekst hiervan, “een handreiking” aan verzekeringsartsen voor de verzekeringsgeneeskundige beoor-deling van werknemers met een depressieve stoornis. Het behandelt in “deel A Onderzoek” de verzameling van gegevens die de verzekeringsarts voor zijn beoordeling nodig heeft. Vervol-gens komen in “deel B Beoordeling” de vier beoordelingstaken aan de orde die de verzeke-ringsarts bij werknemers met een depressieve stoornis, te vervullen heeft. Het betreft dan de beoordeling van de sociaal-medische voorgeschiedenis, de functionele mogelijkheden, het te verwachten beloop en de behandeling en begeleiding.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 18d, geldigheid: 2010-08-25
Regeling verzekeringsgeneeskundige protocollen arbeidsongeschiktheidswetten 2, 3, geldigheid: 2010-08-25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/2111 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 11 maart 2009, 08-4097 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 25 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. K.U.J. Hopman, advocaat te Alkmaar, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2010, waar voor appellant is verschenen mr. E. van Hilten. Betrokkene is - met bericht - niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene, die werkzaam was als machineleidster bij [naam werkgever], is op 3 april 1984 uitgevallen. Appellant heeft betrokkene per einde wachttijd een uitkering toegekend ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Bij een herbeoordeling in 1994 heeft de verzekeringsarts een verbetering van de medische situatie van betrokkene vastgesteld en haar in staat geacht om 40 uur per week arbeid te verrichten in op haar beperkingen afgestemde functies. Bij besluit van 18 november 1994 heeft appellant de WAO-uitkering van betrokkene met ingang van 1 januari 1995 ingetrokken. Het beroep van betrokkene tegen dit besluit is door de rechtbank Haarlem, mede op basis van het rapport van de door de rechtbank geraadpleegde deskundige psychiater H.A. Droogleever Fortuyn, bij uitspraak van 24 oktober 1996, ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft betrokkene geen rechtsmiddel aangewend.

1.3. Betrokkene heeft in 1997 het werken hervat, laatstelijk als sorteerder. Op 5 oktober 2000 heeft betrokkene zich vanuit een situatie waarin zij een uitkering op grond van de WW ontving ziekgemeld ten gevolge van spanningsklachten. Per einde wachttijd, 3 oktober 2001, wordt aan betrokkkene een WAO-uitkering toegekend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Zij meldde zich op 13 januari 2003 wederom ziek, ditmaal met toegenomen psychische klachten. Bij besluit van 6 mei 2003 is de mate van betrokkenes arbeidsongeschiktheid per 10 februari 2003 vastgesteld op 80 tot 100%.

2. In het kader van een herbeoordeling ingevolge het per 1 oktober 2004 geldende Schattingsbesluit is bij besluit van 11 oktober 2007 die uitkering door appellant met ingang van 8 december 2007 ingetrokken op de grond dat de mate van betrokkenes arbeidsongeschiktheid minder dan 15% is. Het door betrokkene tegen dit besluit ingestelde bezwaar is bij besluit van 8 april 2008 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan de genoemde besluiten liggen verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige rapporten ten grondslag.

3.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Tevens heeft de rechtbank beslissingen gegeven over de vergoeding van het griffierecht en de proceskosten.

3.2. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er geen aanleiding te twijfelen aan de in de Functionele mogelijkhedenlijst van 14 maart 2008 (FML) tot uitdrukking gebrachte fysieke beperkingen, maar ontbreekt een voldoende overtuigende onderbouwing voor de door appellant gestelde (afname van de) beperkingen wat betreft de psychische problematiek van betrokkene. Voorts plaatst de rechtbank vraagtekens bij de motivering voor het laten vervallen van de eerder aangenomen urenbeperking. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat bij de beoordeling van depressieve stoornissen met ingang van 1 juli 2007 gebruik dient te worden gemaakt van het verzekeringsgeneeskundige protocol Depressieve Stoornis (hierna: het Protocol). Naar het oordeel van de rechtbank komt in de rapportages en dan uiteindelijk ook in de FML onvoldoende tot uitdrukking dat en op welke wijze de aandachtspunten uit het protocol zijn meegenomen in de beoordeling.

4.1. Appellant richt zich, onder verwijzing naar een uitspraak van de Raad van 16 september 2009 (LJN BJ7873), in hoger beroep tegen het oordeel van de rechtbank dat door de artsen van het Uwv onvoldoende tot uitdrukking is gebracht dat en op welke wijze de aandachtspunten uit het Protocol zijn meegenomen in de beoordeling. Volgens appellant is het Protocol in de eerste plaats een hulpmiddel en schrijft het niet dwingend voor wat in de verzekeringsgeneeskundige rapportage moet worden opgenomen. Verder stelt appellant dat niet alle in het Protocol genoemde aspecten of aandachtspunten die zich mogelijk voor kunnen doen ook steeds door de (bezwaar)verzekeringsarts moeten worden besproken of betrokken bij zijn beoordeling. Uitgangspunt is dat bij de medische beoordeling wordt ingegaan op de aspecten die zich voordoen in het specifieke geval en daaraan voldoet de beoordeling in deze zaak, aldus appellant. Voorts richt het hoger beroep zich tegen het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een onvoldoende overtuigende onderbouwing voor de (afname van de) beperkingen wat betreft de psychische problematiek van betrokkene en het niet langer aangewezen zijn van een urenbeperking.

4.2. Betrokkene heeft de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

5. De Raad overweegt het volgende.

5.1. Gelet op het standpunt van appellant in hoger beroep dient in de eerste plaats de vraag te worden beantwoord of de rechtbank een juiste betekenis heeft toegekend aan het Protocol bij de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid van betrokkene. De Raad beantwoordt die vraag, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 16 september 2009

(LJN BJ7873), ontkennend. Het hoger beroep treft in zoverre doel.

5.2. Dat het onderhavige Protocol als hulpmiddel moet worden aangemerkt, betekent niet dat aan dit Protocol geen betekenis zou kunnen toekomen bij de beoordeling van het bestreden besluit. De vraag welke betekenis zal moeten worden beantwoord aan de hand van de feiten en omstandigheden van het onderhavige geval en de aard en inhoud van het voorschrift van het Protocol.

5.3. Het verzekeringsgeneeskundig protocol “Depressieve stoornis” biedt, blijkens de tekst hiervan, “een handreiking” aan verzekeringsartsen voor de verzekeringsgeneeskundige beoordeling van werknemers met een depressieve stoornis. Het behandelt in “deel A Onderzoek” de verzameling van gegevens die de verzekeringsarts voor zijn beoordeling nodig heeft. Vervolgens komen in “deel B Beoordeling” de vier beoordelingstaken aan de orde die de verzekeringsarts bij werknemers met een depressieve stoornis, te vervullen heeft. Het betreft dan de beoordeling van de sociaal-medische voorgeschiedenis, de functionele mogelijkheden, het te verwachten beloop en de behandeling en begeleiding.

5.4. In het onderhavige geval heeft de verzekeringsgeneeskundige beoordeling plaatsgevonden door de primair verzekeringsarts A.J.D. Versteeg en de bezwaarverzekeringsarts A.A.W. Haver. Laatst genoemde arts heeft naar aanleiding van zijn bevindingen uit onderzoek, waaronder dossierstudie, aanwezigheid bij de hoorzitting en verkregen informatie van behandelend artsen, aanleiding gezien de eerder door de primaire arts vastgestelde FML aan te scherpen door ten aanzien van de aspecten 3.6.1 en 3.9.1 beperkingen aan te nemen. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts in hoger beroep een nadere toelichting gegeven op de wijze waarop het Protocol in het onderhavige geval is toegepast en een nadere motivering gegeven met betrekking tot het vervallen van de in het kader van eerdere beoordelingen aangenomen urenbeperking. Aldus bezien heeft de bezwaarverzekeringsarts naar het oordeel van de Raad acht geslagen op die beoordelingstaken waarop hij, volgens het eerder genoemde Protocol, in ieder geval acht heeft te slaan. Nu uit de rapportage blijkt op basis van welke gegevens deze tot stand is gekomen en welke procedure daarbij gevolgd is, is er naar het oordeel van de Raad sprake van een deugdelijk medisch advies.

5.5. Wat betreft de in de aangepaste FML van 14 maart 2008 vastgestelde medische beperkingen ziet de Raad geen aanknopingspunten om deze onjuist te achten. Onder verwijzing naar met name het rapport van bezwaarverzekeringsarts Haver van 9 april 2009 is de Raad van oordeel dat de afname van de aangenomen beperkingen, zowel de psychische als de duurbeperking, voldoende gemotiveerd is. De in dit rapport door de bezwaarverzekeringsarts gegeven motivering, dat betrokkene in het kader van eerdere beoordelingen te veel gevolgd is in de subjectieve beleving van haar klachten en haar negatieve kijk op haar eigen kunnen danwel mogelijkheden, waardoor ten onrechte meer beperkingen zijn aangenomen dan op basis van een medisch objectieve beoordeling aangewezen zou zijn geweest, komt de Raad niet onaannemelijk voor.

5.6. In aanvulling hierop overweegt de Raad dat de in 1996 door de rechtbank geraadpleegde psychiater Droogleever Fortuyn, in zijn rapport van 28 maart 1996, evenals de huidige behandelend psychiater, de diagnose ongedifferentieerde somatoforme stoornis heeft gesteld en hij betrokkene, rekening houdende met haar psychische belastbaarheid, in staat achtte fulltime arbeid te verrichten. Het aannemen van een urenbeperking werd door deze deskundige destijds gecontraindiceerd geacht. Gelet op het vorenstaande en het gegeven dat namens betrokkene geen (nieuwe) medische gegevens in het geding zijn gebracht waaruit blijkt dat zij, per de datum in geding, meer danwel anders beperkt is dan door de artsen van het Uwv in de FML van 14 maart 2008 aangenomen, is de Raad van oordeel dat de beperkingen door de artsen van het Uwv juist zijn vastgesteld.

5.7. Gelet op hetgeen is overwogen onder 5.1 tot en met 5.6 volgt dat de Raad, anders dan de rechtbank, geen grond ziet om de medische grondslag van het bestreden besluit voor onjuist te houden.

6. Uitgaande van de juistheid van de beperkingen zoals neergelegd in de FML van 14 maart 2008 is de Raad van oordeel dat betrokkene de geduide functies, die ten grondslag liggen aan de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid (Sbc-code 111171 Productiemedewerker Metaal, Sbc-code 111180 Productiemedewerker Industrie en Sbc-code 282101 Chauffeur), geschikt zijn voor betrokkene. De in de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 20 maart 2008 ten aanzien van de aanwezige signaleringen gegeven toelichting voldoet aan de eisen gesteld in de rechtspraak van de Raad. De bezwaararbeidsdeskundige heeft uiteengezet dat de mate van arbeidsongeschiktheid op basis van genoemde functies moet worden vastgesteld op minder dan 15%. De WAO-uitkering van betrokkene is daarom terecht per 9 december 2007 ingetrokken.

7. De rechtbank heeft, gelet op het voren overwogene, ten onrechte het bestreden besluit vernietigd. De Raad zal de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten daarom vernietigen en het beroep ongegrond verklaren.

8. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J. Riphagen en C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2010.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) T.J. van der Torn.

EV