Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN5064

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-08-2010
Datum publicatie
27-08-2010
Zaaknummer
09/5773 WW + 09/5774 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering WW-uitkering en WAO-uitkering. Schending inlichtingenplicht. De Raad kan tot geen andere conclusie komen dan dat appellante middels de werkbriefjes WW in het geheel geen en middels de vragenformulieren WAO niet tijdig informatie aan het Uwv heeft verstrekt, terwijl zij kon weten dat die voor haar recht op de beide uitkeringen van belang was. Net als de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Uwv tot een redelijke schatting van de omvang van de werkzaamheden is gekomen door aan te knopen bij ambtelijke regelgeving waarin ten behoeve van de bepaling van de omvang van buitengewoon verlof normen zijn vastgesteld voor de tijdsbesteding aan onder andere nevenwerkzaamheden als raadslid, gerelateerd aan het inwonersaantal van een gemeente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/5773 WW + 09/5774 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[appellante], wonende te [woonplaats], België (hierna: appellante),

tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 9 september 2009, 08/103 en 08/104 (hierna: aangevallen uitspraken),

in de gedingen tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante zijn de hoger beroepen ingesteld door mr. H.M.J. Offermans, advocaat te Roermond.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2010. Appellante is verschenen en bijgestaan door mr. Offermans. Voor het Uwv verscheen W.J.M.H. Lagerwaard.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante heeft beroep ingesteld tegen een besluit van het Uwv van 30 november 2007 ter uitvoering van de Werkloosheidswet (WW). Met dat besluit heeft het Uwv zijn besluiten gehandhaafd van 11 april 2007 en 13 april 2007, waarbij de WW-uitkering over de periode van 18 maart 2002 tot en met 26 november 2006 is herzien en van appellante een bedrag van € 15.362,82 aan betaalde uitkering is teruggevorderd.

1.2. Appellante heeft ook beroep ingesteld tegen een besluit van het Uwv ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) van 5 december 2007. Met dat besluit handhaafde het Uwv zijn besluiten van 24 april 2007, waarbij is vastgesteld dat de naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45% berekende

WAO-uitkering in verband met inkomsten uit arbeid met ingang van 18 november 2002 wordt uitbetaald naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 15 tot 25% en waarbij over de periode van 18 november 2002 tot en met 18 mei 2003 van appellante aan betaalde uitkering een bedrag is teruggevorderd van € 2.629,49.

2. De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank overwogen dat appellante niet heeft voldaan aan haar verplichting om het Uwv op de hoogte te brengen van haar werkzaamheden als gemeenteraadslid, terwijl het haar redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat die werkzaamheden en de daaraan verbonden inkomsten van invloed konden zijn op haar WW- en WAO-uitkering. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv op goede gronden de omvang van de werkzaamheden als gemeenteraadslid gesteld op 12 uur per week en in zoverre het recht op WW-uitkering geëindigd geacht. Het Uwv kon met terugwerkende kracht toepassing geven aan artikel 44 van de WAO en daarbij rekening houden met het gehele bedrag van de raadslidvergoeding. De rechtbank heeft ten slotte overwogen dat niet is gebleken van dringende redenen op grond waarvan het Uwv van herziening en terugvordering had moeten afzien.

3.1. Appellante heeft in de hoger beroepen haar eerder verwoorde standpunten herhaald. Die komen erop neer dat zij het Uwv tijdig op de hoogte heeft gesteld van de aanvang van haar raadslidmaatschap, dat niet van haar verwacht kon worden dat zij haar werkzaamheden als raadslid en de daarmee verworven inkomsten steeds weer op haar ter invulling toegezonden formulieren herhaalde en dat haar activiteiten als gemeenteraadslid beperkt zijn gebleven tot 6 uur per week. Ter zitting van de Raad heeft appellante haar beroepsgrond niet langer gehandhaafd dat bij de toepassing van artikel 44 van de WAO een bedrag van € 138,-, dat zij aan haar partij moest afdragen, buiten beschouwing moet blijven. Zij heeft nader het standpunt betrokken dat het bepaalde in artikel 57, derde lid, van de WAO aan terugvordering van de WAO-uitkering in de weg staat, omdat ten tijde van de besluiten van 24 april 2007 de periode, waarover uitkering wordt teruggevorderd, meer dan drie jaar terug ligt.

3.2. Het Uwv heeft zich achter de oordelen van de rechtbank gesteld.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellante niet heeft voldaan aan de op haar ingevolge artikel 25 van de WW en artikel 80 van de WAO rustende inlichtingenplicht door niet, dan wel niet tijdig, melding te maken van haar werkzaamheden als raadslid van de gemeente Roermond en de raadslidvergoeding die zij ontving.

4.2.1. Na haar beëdiging als raadslid op 14 maart 2002 heeft appellante eerst en alleen op het werkbriefje WW over de periode van 22 april 2002 tot en met 19 mei 2002 een opgave gedaan van werkzaamheden in het kader van bereikbaarheidsdienst en daarbij “vrijwilligerswerk/politiek” vermeld. Bij haar nieuwe op 24 juni 2003 ingediende

WW-aanvraag nadat aan haar werkzaamheden voor [naam werkgever] een einde was gekomen, heeft appellante opgegeven dat zij sinds 2003 werkzaamheden verricht als raadslid, maar ook op de nadien ingezonden werkbriefjes is de vraag of in de periode, waarop het werkbriefje betrekking heeft, werkzaamheden zijn verricht of loon is ontvangen, door haar met “nee” beantwoord.

4.2.2. Op de vragenformulieren WAO, die appellante op verzoek van het Uwv invulde in de jaren 2002 en 2003, heeft appellante evenmin melding gemaakt van haar werkzaamheden en inkomsten als raadslid. Ook bij invulling van het vragenformulier ter voorbereiding van een herbeoordeling in 2003 heeft zij vermelding van haar activiteiten als raadslid achterwege gelaten. Eerst op het vragenformulier WAO dat zij op 4 oktober 2004 invulde, heeft appellante melding gemaakt van de ontvangst van een raadslidvergoeding en verstrekte zij aan het Uwv een specificatie van de vergoeding die de gemeente Roermond haar betaalde over de maand september 2004.

4.3. De Raad deelt niet de opvatting van appellante dat de werkbriefjes WW ongeschikt zijn om politieke werkzaamheden aan het Uwv te melden. Appellante had bij vraag 1.1 “ja, anders” kunnen aankruisen en bij vraag 5.2 melding kunnen maken van de raadslidvergoeding ook zonder die toe te delen aan per dag gewerkte uren.

4.4. Appellante heeft haar stelling dat zij van een medewerker van het Uwv de instructie kreeg om het werkbriefje WW in te vullen als zij deed op 24 mei 2002, niet onderbouwd. De Raad is van oordeel dat zelfs als zou zijn komen vast te staan dat aan de invulling van het werkbriefje over de periode van 22 april 2002 tot en met 19 mei 2002 een telefonisch contact van appellante met een medewerker van het Uwv is vooraf gegaan waarin appellante op de door haar gestelde wijze is geïnstrueerd, appellante er niet van heeft kunnen uitgaan dat zij voldoende informatie verstrekte. Het Uwv heeft terecht gesteld dat uit de vermelding “vrijwilligerswerk/politiek” niet volgt dat werkzaamheden als raadslid worden verricht die van invloed zijn op het recht op WW-uitkering. Uit het gestelde telefoongesprek heeft appellante evenmin de gevolgtrekking kunnen maken dat zij op alle volgende werkbriefjes elke vermelding van het raadswerk achterwege kon laten. De gegevens die op een werkbriefje worden ingevuld hebben immers slechts betrekking op de periode waarover opgave wordt gedaan.

4.5. De Raad kan tot geen andere conclusie komen dan dat appellante middels de werkbriefjes WW in het geheel geen en middels de vragenformulieren WAO niet tijdig informatie aan het Uwv heeft verstrekt, terwijl zij kon weten dat die voor haar recht op de beide uitkeringen van belang was.

5.1. Vast staat dat appellante geen administratie heeft bijgehouden van de data en tijdstippen waarop zij als raadslid werkzaamheden heeft verricht. Het Uwv heeft dan ook terecht tot een schatting van de omvang van de werkzaamheden besloten.

5.2. Tijdens haar verhoor op 27 maart 2006 in het kader van het fraudeonderzoek heeft appellante verklaard dat zij “ruw geschat” de gehele periode van haar raadslidmaatschap tussen 12 en 16 uur per week werkzaam was voor de gemeente Roermond. In het Werkhervattingsplan, dat met oog op re-integratie van appellante werd opgesteld en door haar op 23 augustus 2005 voor akkoord werd getekend, staat vermeld dat appellante als raadslid gemiddeld 20 uur per week bezig is met de politiek en aanverwante activiteiten. Eerst in hoger beroep heeft appellante een uiteenzetting gegeven van de vergaderingen die zij doorgaans bijwoonde, daarmee uitkomende op een totale tijdsbesteding van niet meer dan 6 uur per week.

5.3. Net als de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Uwv tot een redelijke schatting van de omvang van de werkzaamheden is gekomen door aan te knopen bij ambtelijke regelgeving waarin ten behoeve van de bepaling van de omvang van buitengewoon verlof normen zijn vastgesteld voor de tijdsbesteding aan onder andere nevenwerkzaamheden als raadslid, gerelateerd aan het inwonersaantal van een gemeente. Niet ter discussie staat dat de tijdsbesteding in die regelgeving gelet op het aantal inwoners van de gemeente Roermond ten tijde van het raadslidmaatschap van appellante op 12 uur per week werd gesteld. Gelet op het feit dat appellante zowel aan haar re-integratieconsulent als tijdens het fraudeverhoor een grotere urenomvang heeft gemeld, is appellante naar het oordeel van de Raad met de vaststelling van de omvang van haar werkzaamheden als raadslid op 12 uur per week door het Uwv niet tekort gedaan.

6. Op grond van de overwegingen onder 4.1 tot en met 5.3 komt de Raad tot de conclusie dat het Uwv op goede gronden ervan is uitgegaan dat het WW-recht van appellante gelet op het bepaalde in artikel 20 van de WW in verband met haar werkzaamheden als gemeenteraadslid vanaf 18 maart 2002 voor 12 uur per week eindigde.

7.1. Met betrekking tot de WAO-uitkering stelt de Raad vast dat appellante de eerste mededeling, waaruit het Uwv heeft kunnen afleiden dat sprake was van inkomsten uit de arbeid als raadslid, heeft gedaan geruime tijd nadat die werkzaamheden een aanvang hadden genomen en op een moment waarop de periode, waarover het Uwv de betaling de uitkering met toepassing van artikel 44 van de WAO nadien bij een van de besluiten van 24 april 2007 heeft verlaagd, al was geëindigd. De rechtbank heeft onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 5 november 2008, LJN BG3717, terecht als uitgangspunt genomen dat met terugwerkende kracht toepassing kan worden gegeven aan artikel 44 van de WAO in een situatie waarin een betrokkene zijn inkomsten uit arbeid niet aan het Uwv heeft gemeld en het Uwv op een later moment van die inkomsten uit arbeid op de hoogte wordt gesteld. Van een dergelijke situatie was in het geval van appellante sprake.

7.2. Op het Uwv rust de verplichting om hetgeen teveel aan WAO-uitkering aan appellante werd betaald van haar terug te vorderen. Het bepaalde in artikel 57, derde lid, van de WAO kan appellante niet baten, reeds niet omdat de terugvordering het gevolg is van het feit dat appellante het Uwv niet tijdig en volledig heeft geïnformeerd en, zoals de Raad onder 4.1 tot en met 4.4 heeft overwogen, de verplichting van artikel 80 van de WAO niet is nagekomen.

8. De hoger beroepen slagen niet. De Raad zal de aangevallen uitspraken bevestigen.

9. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en B.M. van Dun en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2010.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) M.A. van Amerongen.

EV