Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN5043

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-06-2010
Datum publicatie
26-08-2010
Zaaknummer
09/1890 WMO + 09/3451 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Een nadere motivering van het besluit is niet gericht op zelfstandig rechtsgevolg. Dit betekent dat die brief geen besluit inhoudt waartegen het beroep kan worden ingesteld. De inhoud van deze brief zal wel worden betrokken bij de beoordeling van het besluit. PGB. Vaststelling zorgbehoefte. Het besluit van 9 december 2008 is voldoende zorgvuldig voorbereid en berust op een voldoende gespecificeerde analyse van de zorgbehoefte van betrokkene. Niet onzorgvuldig gehandeld bij toepassing Protocol.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1890 WMO

09/3451 WMO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Enschede (hierna: College)

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Almelo van 24 februari 2009, 09/61 en 09/75 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

[betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: [betrokkene])

en

het College

Datum uitspraak: 30 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Het College heeft hoger beroep ingesteld en stukken ingezonden.

Namens [betrokkene] heeft mr. B. Bentem, advocaat te Enschede, een verweerschrift ingediend en stukken ingezonden.

Partijen hebben een nadere memorie ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2010. [betrokkene] is verschenen, bijgestaan door mr. Bentem. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door J.M.P. Duininck, werkzaam bij de gemeente Enschede.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. [betrokkene] is alleenstaande en bewoont een duplex-benedenwoning. Zij heeft diverse beperkingen van psychische, energetische en locomotoire aard en is een groot deel van de dag bedlegerig.

1.2. [betrokkene] ontving vanaf 1 januari 2007 op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) huishoudelijke verzorging in natura naar een omvang van 6,9 uur per week. Met ingang van 18 juni 2007 is haar in plaats daarvan een persoonsgebonden budget (hierna: pgb) toegekend naar een omvang van klasse 3 (4 tot 6,9 uur per week). [betrokkene] heeft op 21 december 2007 uitbreiding van het aantal uren aangevraagd omdat het toegekende aantal uren onvoldoende zou zijn.

1.3. Het College heeft de aanvraag van 21 december 2007 bij besluit van 28 februari 2008 gehonoreerd in die zin dat aan [betrokkene] een persoonsgebonden budget is toegekend voor huishoudelijke verzorging. [betrokkene] is daarbij geïndiceerd voor HH2 klasse 3 (4 tot en met 6,9 uur per week) voor de periode van 14 februari 2008 tot en met 31 juli 2008 en voor HH1 klasse 3 (4 tot en met 6,9 uur per week) voor de periode van 1 augustus 2008 tot en met 20 december 2009.

1.4. [betrokkene] heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 28 februari 2008.

1.5. Het College heeft het besluit van 28 februari 2008 bij besluit van 8 juli 2008 ingetrokken en daarvoor een nieuw besluit in de plaats gesteld. Dit besluit houdt in dat aan [betrokkene] een persoonsgebonden budget is toegekend voor huishoudelijke verzorging. Zij is daarbij geïndiceerd voor HH2 klasse 3 (4 tot en met 6,9 uur per week) voor de periode van 1 januari 2008 tot en met 20 december 2009.

1.6. [betrokkene] heeft bij brief van 2 oktober 2008 meegedeeld dat zij het bezwaar handhaaft.

1.7. Het College heeft het bezwaar tegen het besluit van 8 juli 2008 bij besluit van 9 december 2008 ongegrond verklaard.

2. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft - met bepalingen over de vergoeding van proceskosten en griffierecht - het beroep van [betrokkene] tegen het besluit van 9 december 2008 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het College opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van [betrokkene]. Tevens is een voorlopige voorziening getroffen inhoudende dat het College aan [betrokkene] tot zes weken nadat op het bezwaar is beslist een pgb voor HH2 dient te verstrekken naar een omvang van 6,9 uur per week en een uurtarief van € 19,97. Het oordeel van de voorzieningenrechter, voor zover thans nog van belang, houdt in dat het College het vastgestelde aantal zorguren onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende inzichtelijk heeft gemotiveerd omdat uit het bestreden besluit niet blijkt dat de persoonlijke omstandigheden van [betrokkene] zijn meegewogen. Uit het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde advies van de Stichting Centrum Indicatiestelling Zorg (hierna: CIZ) blijkt niet van een gespecificeerde analyse van de zorgbehoefte en evenmin hoeveel uren benodigd zijn voor de huishoudelijke werkzaamheden.

2.1. Het College heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

2.2. Hangende hoger beroep heeft het College ter uitvoering van de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank bij brief van 20 mei 2009 de indicatie voor huishoudelijke verzorging nader gemotiveerd. Het College heeft uiteengezet dat het advies van CIZ op het Protocol Indicatiestelling voor Huishoudelijke Verzorging van april 2005 (hierna: Protocol) berusten dat uit het advies van 25 juni 2008 blijkt dat voor licht poetswerk in huis, kamers opruimen, huis schoonmaken en de was doen 5 uur per week nodig wordt geacht conform de tijdsnormering van het Protocol. Er is rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van [betrokkene] die alleenstaand is en in een duplex-benedenwoning woont. Alhoewel dit niet hetzelfde is als een eengezinswoning is niettemin geïndiceerd naar de urennormering voor eengezinswoningen. Met de persoonlijke omstandigheden is voorts rekening gehouden door 30 minuten per week toe te kennen voor het schoonmaken van de vogelkooi. Tenslotte is voor de dagelijkse organisatie van het huishouden 30 minuten per week geïndiceerd. De totale zorgbehoefte bedraagt volgens het College 6 uur per week.

2.2. Het College heeft bij brief van 1 maart 2010 gepreciseerd dat het hoger beroep nog uitsluitend betrekking heeft op de overweging van de voorzieningenrechter van de rechtbank dat zijn besluit onvoldoende is voorbereid wegens een onvoldoende gespecificeerde analyse van de zorgbehoefte van [betrokkene].

2.3. Het College heeft [betrokkene] bij besluit van 8 april 2010 met ingang van 21 december 2009 een pgb voor huishoudelijke verzorging toegekend op basis van een indicatie voor 6,5 uur per week. Tegen dit besluit is bezwaar gemaakt.

2.4. [betrokkene] heeft ter zitting van de Raad aangevoerd dat het geïndiceerde aantal zorguren te laag is. Haar beperkingen zijn progressief en onvoldoende in de indicatie tot uitdrukking gebracht.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1. De Raad stelt eerst vast dat de brief van het College van 20 mei 2009 uitsluitend een nadere motivering van het besluit van 9 december 2008 inhoudt en niet gericht is op zelfstandig rechtsgevolg. Dit betekent dat die brief geen besluit inhoudt waartegen het beroep op grond van artikel 6:19 in verbinding met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht geacht moet worden mede te zijn gericht. De inhoud van deze brief zal wel worden betrokken bij de beoordeling van het besluit van 9 december 2008.

3.2. De Raad stelt verder vast dat het hoger beroep uitsluitend betrekking heeft op de vraag of het besluit van 9 december 2008 voldoende zorgvuldig is voorbereid en berust op een voldoende gespecificeerde analyse van de zorgbehoefte van [betrokkene].

3.3. De Raad beantwoordt de onder 3.2 weergegeven vraag bevestigend. Daartoe wordt het volgende overwogen.

3.3.1. De Raad stelt op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting vast dat het College ten tijde hier in geding de vaste gedragslijn volgde dat indicaties voor huishoudelijke verzorging worden vastgesteld onder toepassing van het Protocol. De Raad is van oordeel dat de inhoud van dit protocol als zodanig niet strijdig is met regels van geschreven of ongeschreven recht zodat het College deze gedragslijn mocht volgen.

3.3.2. De Raad is niet gebleken dat het College onzorgvuldig heeft gehandeld bij de toepassing van het Protocol. Uit het advies van CIZ van 25 juni 2008 blijkt dat de indicatie berust op informatie die [betrokkene] zelf heeft verstrekt, dat haar beperkingen gedetailleerd zijn geïnventariseerd en dat in overleg met [betrokkene] de hele gang van zaken rond haar verzorging is doorgenomen. Voorts blijkt daaruit dat de zorgbehoefte in categorieën zorg in kaart is gebracht, te weten “1.4 Licht poetswerk in huis; kamers opruimen 1.5 Huis schoonmaken, stofzuigen, wc/badk reinigen 1.6 Kleding/linnengoed wassen (‘de was doen’) 1.7 Huishoudelijke spullen in orde houden 05:30 uren per week (…) 2.3 Dagelijkse organisatie van het huishouden 00:30 uren per week”. Mede in aanmerking genomen de in de brief van 1 maart 2010 gegeven toelichting is de Raad van oordeel dat het College de indicatie voor huishoudelijke verzorging voldoende heeft gemotiveerd. De Raad verwerpt het standpunt van [betrokkene] dat haar zorgbehoefte ten tijde in geding groter was. [betrokkene] heeft niet met objectieve gegevens aannemelijk gemaakt dat haar beperkingen zijn onderschat en evenmin dat het aantal toegekende zorguren, dat in overeenstemming is met het Protocol, lager is dan nodig. De omstandigheid dat het College de zorgbehoefte per 21 december 2009 heeft vastgesteld op 6,5 uur per week brengt de Raad niet tot een ander oordeel omdat bij [betrokkene] sprake is van een progressieve aandoening die kan leiden tot een grotere zorgbehoefte.

3.3.3. Uit hetgeen is overwogen onder 3.3.2 vloeit voort dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak dient, voor zover aangevochten, te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 9 december 2009 vernietigen. Nu het College het nadere standpunt heeft ingenomen dat het zich kan verenigen met de maatstaven naar welke de voorzieningenrechter van de rechtbank een voorlopige voorziening heeft getroffen, zal de Raad zelf in de zaak voorzien. De Raad zal bepalen dat [betrokkene] recht heeft op een pgb voor HH2 naar de maatstaf van 6 uur per week tegen een uurtarief van € 19,97 voor de periode van 1 januari 2008 tot en met 20 december 2009.

4. De Raad veroordeelt het College tot vergoeding van de proceskosten in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 36,-- voor reiskosten en € 644,-- voor rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, behoudens de bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 9 december 2008;

Bepaalt dat [betrokkene] recht heeft op een pgb als omschreven in rechtsoverweging 3.3.3;

Bepaalt dat het College de proceskosten van [betrokkene] in hoger beroep vergoedt tot een totaal van € 680,--.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2010.

(get.) R.M. van Male.

(get.) C. de Blaeij.

JvS