Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN5013

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-08-2010
Datum publicatie
26-08-2010
Zaaknummer
08/1671 WWB + 08/1672 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering bijstand. Het College is op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB bevoegd de bijstand van appellante over de periode in geding te herzien en heeft daarbij van belang geacht dat het voor appellante zonder meer duidelijk moet zijn geweest dat haar inkomsten in mindering gebracht zouden worden op de bijstandsuitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/1671 WWB

08/1672 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 11 februari 2008, 07/1477 en 07/1478 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Doetinchem (hierna: College)

Datum uitspraak: 24 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.P.H. Sanders, advocaat te Doetinchem, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juni 2010. Appellante is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door J.G. Kelderman, werkzaam bij de gemeente Doetinchem.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontvangt sedert 22 september 2006 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Bij besluit van 29 januari 2007 heeft het College de bijstand van appellante over de periode van 22 september 2006 tot en met 30 november 2006 herzien, in die zin dat alsnog rekening wordt gehouden met de gedurende deze periode door appellante genoten inkomsten uit werkzaamheden bij [naam bedrijf]. Bij besluit van 30 januari 2007 heeft het College de over de genoemde periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 1.064,11 (bruto) van appellante teruggevorderd en het af te lossen bedrag bepaald op € 100,-- per maand. Appellante heeft tegen de besluiten van 29 januari 2007 en 30 januari 2007 bezwaar gemaakt.

1.3. Bij besluit van 7 augustus 2007 heeft het College, voor zover hier van belang, de bezwaren van appellante tegen de herziening en de terugvordering ongegrond verklaard, het bezwaar tegen de hoogte van het aflossingsbedrag gegrond verklaard, deze beslissing herroepen en het aflossingsbedrag vastgesteld op € 51,59 per maand.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen inzake griffierecht en proceskosten, het beroep van appellante tegen het besluit van 7 augustus 2007 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit, voor zover het de herziening van de bijstand betreft, in stand blijven, het terugvorderingsbesluit van 30 januari 2007 herroepen en bepaald dat van appellante over de periode in geding een bedrag van € 937,85 (netto) wordt teruggevorderd.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak van de rechtbank gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Appellante heeft aangevoerd dat zij aan de op haar rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17 van de WWB heeft voldaan, omdat zij gedurende de periode in geding melding heeft gemaakt van haar inkomsten. De Raad is van oordeel dat deze grond in de onderhavige hoger beroepsprocedure geen doel meer treft. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak immers al overwogen dat er geen sprake was van schending van de inlichtingenverplichting en dat als gevolg daarvan het College niet op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was de bijstand van appellante over de periode in geding te herzien.

4.2. De rechtbank heeft echter tevens overwogen dat het College wel op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB bevoegd is de bijstand van appellante over de periode in geding te herzien en heeft daarbij van belang geacht dat het voor appellante zonder meer duidelijk moet zijn geweest dat haar inkomsten in mindering gebracht zouden worden op de bijstandsuitkering. De rechtbank heeft hierin aanleiding gezien om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit, voor zover dit de herziening van de bijstand over de periode in geding betreft, in stand te laten. De Raad stelt vast dat appellante geen gronden heeft aangevoerd tegen het oordeel van de rechtbank dat het College op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB bevoegd is de bijstand van appellante te herzien. Nu door appellante geen andere gronden, dan de gronden genoemd onder 4.1, tegen de herziening zijn aangevoerd, behoeft het oordeel van de rechtbank hierover geen verdere bespreking.

4.3. Appellante heeft tegen de terugvordering enkel aangevoerd dat het College niet in redelijkheid tot terugvordering heeft kunnen besluiten, omdat haar geen verwijt treft. De Raad is van oordeel dat deze grond geen doel treft en overweegt daartoe als volgt.

4.4. De Raad stelt vast dat het College in overeenstemming heeft gehandeld met het ter zake van terugvordering gehanteerde beleid zoals neergelegd in de ‘Regels Terug- en invordering Wet werk en bijstand’. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende reden als bedoeld in artikel 6, aanhef en onder b, van de beleidsregels en evenmin bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), daarvan had moeten afwijken.

4.5. De Raad stelt verder vast dat appellante geen zelfstandige gronden heeft aangevoerd tegen de hoogte van het terugvorderingsbedrag, dat in de aangevallen uitspraak is vastgesteld op € 937,85 netto, en de hoogte van het aflossingsbedrag, dat bij besluit van 7 augustus 2007 is vastgesteld op € 51,95 per maand, zodat deze geen bespreking behoeven.

4.6. De Raad is voorts van oordeel dat hetgeen door appellante is aangevoerd over de inhouding op de uitkering over de maand december 2006 en de maanden januari en februari 2007, niet binnen de omvang van het onderhavige geding valt. De Raad wijst appellante er ten overvloede nog op dat over deze inhoudingen in het verweerschrift de nodige duidelijkheid wordt gegeven.

4.7. Gelet op het voorgaande bevestigt de Raad de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.N.A. Bootsma en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2010.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) R. Scheffer.

IA