Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN5011

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-08-2010
Datum publicatie
26-08-2010
Zaaknummer
08/4436 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering openstaande leenbijstand en de achterstallige rente in verband met bedrijfskredieten. Het besluit berust niet op een deugdelijke wettelijke grondslag. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Appellant is uitstel van aflossing en betaling van rente verleend en is de maximale periode van uitstel verstreken. De stelling van appellant dat hij geen aflossingsverplichtingen meer heeft aan het College, kan de Raad evenals de rechtbank niet volgen. Vernietiging uitspraak. Vernietiging besluit. Rechtsgevolgen blijven in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2010/202

Uitspraak

08/4436 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 26 juni 2008, 07-7894 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer (hierna: College)

Datum uitspraak: 24 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens het College heeft mr. M.F.A. Dankbaar, advocaat te Haarlem, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juni 2010. Appellant is, zoals tevoren bericht, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Dankbaar, werkzaam bij de gemeente Haarlemmermeer.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Het College heeft op 4 maart 1998 en 7 oktober 1999 aan appellant bedrijfskredieten verstrekt in de vorm van rentedragende leningen op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen.

1.2. Bij besluit van 1 december 2003, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 1 maart 2004, heeft het College een verzoek van appellant om de in 1999 verleende leenbijstand om te zetten in bijstand zonder terugbetalingsverplichting afgewezen en medegedeeld dat in totaal nog een bedrag van € 24.050,65 - exclusief rente - aan leenbijstand openstaat. Het door appellant tegen het besluit van 1 maart 2004 ingestelde beroep is door de rechtbank bij uitspraak van 19 januari 2005 ongegrond verklaard. De Raad heeft deze uitspraak van de rechtbank bij uitspraak van 6 maart 2007, LJN BA0168, bevestigd. Vervolgens heeft het College vergeefs getracht tot een betalingsregeling te komen.

1.3. Bij besluit van 15 mei 2007 heeft het College de nog openstaande leenbijstand en de achterstallige rente in verband met de onder 1.1 vermelde bedrijfskredieten van appellant teruggevorderd tot een bedrag van in totaal € 44.393,26 op grond van artikel 47 van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004).

1.4. Bij besluit van 14 november 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 15 mei 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 14 november 2007 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, kort gezegd, geoordeeld dat terecht is teruggevorderd omdat appellant aflossingsverplichtingen heeft waaraan hij niet heeft voldaan.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Daarbij is tevens om een veroordeling tot schadevergoeding verzocht.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt voorop dat de onderhavige terugvordering van leenbijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal door het College ten onrechte is gebaseerd op artikel 47 van het Bbz 2004. Ingevolge dit artikel, zoals dit ten tijde hier van belang luidde, worden kosten van bijstand verleend in de vorm van een geldlening, anders dan bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het Bbz 2004, van een zelfstandige teruggevorderd, indien hij hieruit voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk nakomt. Artikel 2, tweede lid, van het Bbz 2004, zoals dit ten tijde hier van belang luidde, ziet op bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal.

4.2. Dit betekent dat het besluit van 14 november 2007 niet op een deugdelijke wettelijke grondslag berust. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak komt daarom voor vernietiging in aanmerking. Het beroep is gegrond. Het besluit van 14 november 2007 wordt wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd.

4.3. De Raad zal voorts bezien of er grond is de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, in stand te laten.

4.4. Ingevolge artikel 41, derde lid, van het Bbz 2004, zoals dit ten tijde hier van belang luidde en voor zover hier relevant, kan over de gehele looptijd van de lening maximaal gedurende een aaneengesloten of onderbroken periode van drie jaar uitstel van aflossing en betaling van rente worden verleend. In het vijfde lid van dat artikel is - voor zover hier van belang - bepaald dat de lening en de eventuele achterstallige rente terstond opeisbaar zijn en worden teruggevorderd indien de periode van drie jaar bedoeld in het derde lid is verstreken. Deze terugvorderingsbepaling ziet - anders dan artikel 47 van het Bbz 2004 - mede op bedrijfskrediet als hier aan de orde. Blijkens het besluit van 15 mei 2007 is appellant uitstel van aflossing en betaling van rente verleend en is de maximale periode van uitstel verstreken. Het College is derhalve op grond van artikel 41, vijfde lid, van het Bbz 2004 gehouden tot terugvordering van de nog openstaande leenbijstand en de achterstallige rente tot een bedrag van € 44.393,26. De stelling van appellant dat uit de onder 1.2 vermelde uitspraak van de Raad volgt dat hij geen aflossingsverplichtingen meer heeft aan het College, kan de Raad evenals de rechtbank niet volgen. De Raad ziet ook in hetgeen overigens door appellant is aangevoerd geen aanleiding om deze stelling voor juist te houden.

4.5. Uit het voorgaande vloeit voort dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand kunnen blijven.

5. Gelet hierop is voor een veroordeling tot schadevergoeding geen plaats. Het verzoek daartoe van appellant dient daarom te worden afgewezen.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling nu niet van daarvoor in aanmerking komende kosten is gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 14 november 2007 gegrond;

Vernietigt het besluit van 14 november 2007 en bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

Bepaalt dat het College aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt;

Wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en R. Kooper en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2010.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) J. de Jong.

AV