Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN4978

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-08-2010
Datum publicatie
26-08-2010
Zaaknummer
09/3493 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De melding van appellant van de toename van zijn arbeidsongeschiktheid in juni 2006, is beoordeeld aan de hand van het besluit van 29 januari 2007 waarbij de WAO-uitkering per 30 maart 2007 werd beëindigd. Volgens het Uwv zijn er geen redenen waarom dat besluit onjuist was, zodat daarvan niet wordt teruggekomen. De rechtbank heeft een terughoudende toetsing toegepast en het beroep ongegrond verklaard. Ten onrechte heeft het Uwv de aanvraag van appellant aangemerkt als verzoek om terugkomen van het besluit van 29 januari 2007. Uit de aanvraag van 24 januari 2007 komt duidelijk naar voren komt dat appellant een zogenoemde Amber-beoordeling wenste van zijn aanspraken ingevolge de WAO in verband met zijn - door het Uwv aanvaarde - ziekmelding per 14 juni 2006. In het kader van de besluiten van 29 januari 2007 is geen inhoudelijke beoordeling verricht met betrekking tot de Amber-aanspraken van appellant in verband met diens ziekmelding per 14 juni 2006. De aanvraag van appellant van 24 januari 2007 kan onder deze omstandigheden niet worden aangemerkt als een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Vernietiging besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2010/315

Uitspraak

09/3493 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 11 mei 2009, 07/5213 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.F. van Willigen, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld. Naderhand heeft mr. Van Willigen de beroepsgronden aangevuld en nadere stukken ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingezonden en desgevraagd gereageerd op één van de namens appellant ingezonden stukken.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Willigen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. de Graaf.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft van 7 november 1996 tot 28 april 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze uitkering was aan appellant toegekend omdat hij wegens rugklachten voor zijn werk als intercedent was uitgevallen.

1.2. Met ingang van 27 januari 2005 heeft appellant zich, vanuit de situatie dat hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, ziek gemeld wegens toegenomen rugklachten met pijnuitstraling naar beide benen. Het Uwv heeft appellant een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend. Met ingang van 14 november 2005 heeft het Uwv appellant hersteld geacht en de ZW-uitkering beëindigd.

1.3. In 2006 heeft het Uwv, in verband met de ziekmelding van appellant per 27 januari 2005, onderzocht of aan appellant met toepassing van artikel 43a van de WAO met ingang van 24 februari 2005 een WAO-uitkering moest worden toegekend. Op grond van de bevindingen en conclusies van een medisch en een arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 29 januari 2007 aan appellant met ingang van 24 februari 2005 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij een tweede besluit van dezelfde datum heeft het Uwv deze uitkering per 30 maart 2007 ingetrokken omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per die datum minder dan 15% bedraagt. Tegen deze besluiten heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend.

1.4. Intussen had appellant op 24 januari 2007 opnieuw een aanvraag voor een WAO-uitkering gedaan, waarop onder meer was ingevuld dat hij met ingang van 14 juni 2006 een ZW-uitkering ontving in verband met een ziekmelding per die datum. Omdat aan appellant met terugwerkende kracht per 24 februari 2005 een WAO-uitkering was toegekend, heeft het Uwv bij besluit van 9 februari 2007 het besluit van 10 juli 2006, waarbij aan appellant met ingang van 14 juni 2006 ZW-uitkering is toegekend, ingetrokken.

1.5. Het Uwv heeft vervolgens onderzoek verricht naar de vraag of aan appellant met ingang van vier weken na 14 juni 2006 een WAO-uitkering dient te worden toegekend. Op 5 april 2007 heeft een verzekeringsarts van het Uwv een rapport uitgebracht over het door haar ingestelde onderzoek naar de belastbaarheid van appellant. Zij concludeerde dat appellant in verband met een rugoperatie en hersteltijd voor ongeveer drie maanden volledig arbeidsongeschikt is te achten, maar dat nadien sprake is van een belastbaarheid voor arbeid, welke belastbaarheid door haar is neergelegd in een zogenoemde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 16 april 2007. Uitgaande van die FML heeft een arbeidsdeskundige van het Uwv aan de hand van een aantal voorbeeldfuncties, die door hem aan appellant zijn voorgehouden, het verlies aan verdiencapaciteit van appellant berekend op minder dan 15%.

1.6. Bij besluit van 5 juli 2007 heeft het Uwv de melding van appellant van de toename van zijn arbeidsongeschiktheid in juni 2006, beoordeeld aan de hand van het besluit van 29 januari 2007 waarbij de WAO-uitkering per 30 maart 2007 werd beëindigd. Volgens het Uwv zijn er geen redenen waarom dat besluit onjuist was, zodat daarvan niet wordt teruggekomen.

2. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 5 juli 2007. Bij besluit van 2 november 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard. Het bestreden besluit is gebaseerd op de bevindingen en conclusies van bezwaarverzekeringsarts F.J.J. van Gulick. Deze arts heeft appellant onderzocht, informatie ontvangen van neuroloog dr. P.J.M. van Wensen, neuroloog dr. G.W. van Dijk en anesthesioloog dr. E.T. Kamphuis. Van Gulick heeft op basis van zijn onderzoek geconcludeerd dat er onvoldoende reden is om verdergaande beperkingen aan te nemen dan die welke in de FML van 16 april 2007 zijn neergelegd.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak overwogen dat het Uwv het verzoek van appellant redelijkerwijs heeft kunnen aanmerken als een verzoek om terug te komen van het besluit van 29 januari 2007, waarbij appellants WAO-uitkering met ingang van 30 maart 2007 is beëindigd. Zij heeft daartoe overwogen dat een besluit per vier weken na 14 juni 2006 niet kon leiden tot een andere mate van arbeidsongeschiktheid dan de reeds toegekende mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en zou daarom niet op rechtsgevolg gericht kunnen zijn. Vervolgens heeft de rechtbank onder verwijzing naar jurisprudentie van de Raad de - terughoudende - toetsing verricht die volgens de rechtbank in deze situatie toegepast dient te worden en het beroep ongegrond verklaard.

4.1. Appellant heeft - kort weergegeven - in hoger beroep gesteld dat het bestreden besluit ten onrechte terughoudend is getoetst en dat het besluit van 29 januari 2007, waarbij appellants WAO-uitkering met ingang van 30 maart 2007 is beëindigd, niet kan worden gezien als een reactie op zijn aanvraag van 24 januari 2007 om een WAO-uitkering wegens zijn ziekmelding per 14 juni 2006. Het besluit van 5 juli 2007 is in zijn ogen wel genomen naar aanleiding van zijn aanvraag, maar is ten onrechte een besluit tot weigering om terug te komen van dat besluit van 29 januari 2007. De medische grondslag van het besluit van 5 juli 2007 is, zo heeft appellant voorts gesteld, niet juist, ter onderbouwing waarvan hij nadere medische informatie heeft overgelegd van neuroloog dr. J. Hofmeijer. Tot slot heeft appellant aangegeven dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor hem in medisch opzicht niet geschikt zijn.

4.2. Het Uwv heeft in zijn verweerschrift gesteld dat bij het besluit van 5 juli 2007 op goede gronden de aanvraag van appellant is aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het besluit van 29 januari 2007 en dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak terecht heeft geoordeeld dat er geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn aangevoerd. De in hoger beroep aangevoerde medische informatie heeft het Uwv niet gebracht tot een andere opvatting.

5. Ter beoordeling staat thans of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over het bestreden besluit. Hij beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.

5.1. Partijen verschillen van mening over de vraag of de rechtbank de juiste toets heeft aangelegd, namelijk de - terughoudende - toetsing die behoort te worden aangelegd als het bestreden besluit een weigering behelst om van een eerder genomen besluit terug te komen op de grond dat door de betrokkene geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn aangevoerd.

5.2.1. De Raad is van oordeel dat het Uwv bij het besluit op de aanvraag van appellant van 24 januari 2007 ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat het bij die aanvraag ging om een verzoek om terug te komen van het besluit van 29 januari 2007, waarbij appellants WAO-uitkering met ingang van 30 maart 2007 is beëindigd. De Raad wijst er daartoe op dat uit de aanvraag van 24 januari 2007 duidelijk naar voren komt dat appellant een zogenoemde Amber-beoordeling wenste van zijn aanspraken ingevolge de WAO in verband met zijn - door het Uwv aanvaarde - ziekmelding per 14 juni 2006. Voorts wijst de datum waarop het verzoek is gedaan er niet op dat het was gericht op het terugkomen van een besluit nu dat besluit immers nog moest worden genomen.

5.2.2. De stelling van het Uwv dat niet gezegd kan worden dat de geclaimde verergerde gezondheidssituatie zoals die zich op 14 juni 2006 voordeed geen onderdeel heeft uitgemaakt bij het nemen van de besluiten van 29 januari 2007, acht de Raad inhoudelijk niet juist. Uit de stukken blijkt dat aan laatstbedoelde besluiten een rapport van verzekeringsarts L.O. Enuica van 3 oktober 2006 ten grondslag ligt, waarin deze arts zich slechts over twee data heeft uitgelaten. Met betrekking tot de datum 24 februari 2005 achtte deze arts appellant volledig arbeidsongeschikt, maar per 14 november 2005 achtte hij appellant belastbaar conform een door hem opgestelde FML van 3 oktober 2006. In het rapport heeft deze arts uitdrukkelijk vermeld dat appellant zich opnieuw arbeidsongeschikt heeft gemeld met ingang van 14 juni 2006 wegens het ondergaan van een nieuwe chirurgische ingreep, dat er per vier weken na die datum een

Amber-beoordeling dient te volgen, maar dat die beoordeling later zal plaatsvinden, nu zijn onderzoek uitsluitend een Amber-beoordeling per 24 februari 2005 betreft.

5.2.3. Arbeidskundig onderzoek heeft, zo blijkt uit het rapport van arbeidsdeskundige P.P. Bloem van 10 januari 2007, vervolgens geleid tot de conclusie dat de mate van appellants arbeidsongeschiktheid per 14 november 2005 minder dan 15% bedraagt. Uit genoemd rapport blijkt voorts dat de arbeidsdeskundige appellant heeft verteld dat een nieuwe beoordeling zal volgen in verband met de situatie sinds de operatie in juni 2006. Na overleg met de afdeling Bezwaar en Beroep is evenwel besloten om de vaststelling naar de klasse minder dan 15% per toekomende datum in te laten gaan. Daarop zijn de besluiten van 29 januari 2007 gevolgd. Uit deze gang van zaken volgt dat aan deze besluiten geen medisch en arbeidskundig onderzoek ten grondslag heeft gelegen waarvoor geldt dat deze betrekking hadden op de datum 30 maart 2007, dan wel de datum waarop de aanvraag van appellant van 24 januari 2007 betrekking had.

5.2.4. De Raad is derhalve van oordeel dat, hoewel het Uwv appellants uitkering - naar hij aanneemt op grond van overwegingen van zorgvuldigheid - heeft laten doorlopen tot 30 maart 2007, het Uwv in het kader van de besluiten van 29 januari 2007 geen inhoudelijke beoordeling heeft verricht met betrekking tot de Amber-aanspraken van appellant in verband met diens ziekmelding per 14 juni 2006. De aanvraag van appellant van 24 januari 2007 kan onder deze omstandigheden niet worden aangemerkt als een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat door het Uwv bij het besluit van 5 juli 5007 ten onrechte aan dat artikel toepassing is gegeven en de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ten onrechte de toetsing heeft verricht die bij de toetsing van een besluit met toepassing van dat artikel is aangewezen.

5.3. Op grond van het overwogene onder 5.2 is de Raad van oordeel dat de aangevallen uitspraak, en het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komen. Het Uwv dient derhalve een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellant.

6.1. Het verzoek van appellant om veroordeling van het Uwv tot vergoeding van door hem geleden schade, bestaande uit de wettelijke rente over de bedragen die hem ten onrechte niet zijn uitbetaald, komt niet voor toewijzing in aanmerking, nu thans niet kan worden vastgesteld dat van dergelijke schade sprake is.

6.2. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, totaal € 1.288,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Draagt het Uwv op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellant;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 1.288,-;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht van € 149,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en H. Bolt en F.J.L. Pennings als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2010.

(get.) H.G. Rottier.

(get.) A.L. de Gier.

TM